Toets- en beoordelingsinstrumenten

Op het operationele niveau wordt gesproken over de kwaliteit van de toets- en beoordelingsinstrumenten en de kwaliteit van de toetsopdrachten, taken en/of items. Toetsen hebben tot doel de bevordering van het leerproces aantoonbaar te maken voor de student en de docent en op gestelde momenten een oordeel te formuleren van de bereikte resultaten. Een toets is nooit volmaakt. Betrouwbaarheid en validiteit zijn altijd een kwestie van gradatie. Belangrijke beslissingen mogen om die reden nooit uitsluitend gebaseerd zijn op de uitkomsten van een enkele toets omdat het om een enkel meetmoment gaat en de invloed van toevallige factoren die de beoordeling kunnen vertekenen groter is. Te denken valt aan de subjectiviteit van één beoordelaar, afleidende of niet-geconditioneerde omstandigheden en dergelijke. In de praktijk wordt vaak tegen deze richtlijn gezondigd.


Voor de toetsing betekent dit dat bijvoorbeeld het beoordelen van de professionele taakuitvoering op basis van één beroepstaak onbetrouwbaar is. Deze ene beroepstaak is immers een slechte voorspeller voor andere meer of minder vergelijkbare beroepstaken die ook deel uitmaken van het totale beroep (de vraag naar generaliseerbaarheid).

Een kwalitatief goede toets voldoet aan de eisen van transparantie, betrouwbaarheid en validiteit.

Transparantie

Bij een transparante toets komt de student niet voor verrassingen te staan
- de studenten weten vooraf de leerdoelen, beoordelingscriteria en verwacht niveau
- de studenten weten voorafgaande aan de toets wanneer zij getoetst en beoordeeld worden
- studenten kunnen uitwerkingen inzien en waar mogelijk meerdere voorbeelden van oude toetsen/oefentoetsen maken
- studenten weten op welke wijze de cesuur voldoende/onvoldoende wordt vastgesteld

Spreiding

Naast een minimalisering van de fouten bronnen in de toets zelf, zorgen meerdere toetsingsmomenten dus meerdere metingen voor een betrouwbaarder oordeel over de studievoortgang van een student. Ook dit pleit voor een spreiding van de toetsing over de tijdsduur van een curriculumonderdeel.

Betrouwbaarheid

Betrouwbaarheid is de mate waarin een toets consistent meet. Iedere toets kent in principe foutenbronnen die de uitslag van de toets beïnvloeden. Het is van belang om deze foutenbronnen zoveel mogelijk onder controle te houden om een adequaat oordeel uit te kunnen spreken.

De betrouwbaarheid van een toets hangt vooral af van

- de formulering van de vragen of opdrachten (a. duidelijke vragen die niet voor onbedoelde interpretaties vatbaar zijn en b. specifieke vragen die alleen goed te beantwoorden zijn door iemand die de stof beheerst)
- de toetslengte (het aantal vragen waaruit de toets bestaat moet voldoende zijn om toevalstreffers te beperken)
- de beoordelingscriteria en de beoordelingsmethode (beide moeten van te voren zijn vastgesteld)
- de mate van objectiviteit bij de beoordeling (dit betreft de verdedigbaarheid van het oordeel, de verschillen tussen beoordelaars moeten zo veel mogelijk geminimaliseerd worden bij het vaststellen van het oordeel)
- de consistentie in de beoordeling (een oordeel mag niet afhankelijk zijn van bijvoorbeeld tijdstip, gemoedstoestand of persoonlijke voorkeur van de beoordelaar)

Validiteit

Een ander belangrijke kwaliteitseis voor een toets is de validiteit, met andere woorden dekt de toets de leerdoelen. Aan de hand van beoordelingsgegevens doet de opleiding uitspraken over de resultaten en het toekomstig functioneren van de student. Anders gezegd, valide toetsen rechtvaardigen de uitspraak dat de opleiding meet of de student de eindtermen ook daadwerkelijk verworven heeft. Een handig hulpmiddel om de validiteit van een toets te waarborgen is een specificatietabel of toetsmatrijs.

Bij validiteit spelen de volgende elementen een rol

- de inhoud van de vragen of de vragen/opdrachten over de leerdoelen gaan
- het gewenste niveau van de vragen (de moeilijkheidsgraad)
- het aantal vragen/opdrachten per onderwerp

Leerdoelen

Kleine veranderingen in de onderlinge afstemming van onderwijs en toetsing leiden soms tot grote veranderingen in de leerprestaties van studenten. Voor de ontwikkeling van onderwijs betekent dit dat het van essentieel belang is om, zodra de leerdoelen van een studieonderdeel zijn vastgesteld, na te denken over de wijze van toetsen. Daarna volgt pas de selectie van de meest geschikte werkvormen. Het op één lijn plaatsen van de leerdoelen met de wijze van toetsing, inhoud en werkvormen wordt ‘constructive alignment’ genoemd (Biggs, 1996).


Bronnen
Biggs, J. (1996). Enhancing teaching through constructive alignment. Higher education, 32(3), 347-364. 
Jaspers, M., & Zijl, E. van. (2014). Samenwerken aan toetskwaliteit in het Hoger Onderwijs. Eindhoven, Nederland: Fontys Hogescholen.