Casussen workshop Diversiteitsbewuste communicatie

Casus 1: een leraar-in-opleiding

Op mijn stageschool gaf ik een biologie les aan 4 VMBO over evolutie en de theorie die daarbij hoort. Zo komt er bijvoorbeeld aan bod dat de aap en de mens een gemeenschappelijke voorouder hebben. Ook heb ik een stuk behandeld over het ontstaan van het leven. Dit zijn slechts mogelijke theorieën volgens het boek. Ik realiseerde me echter niet dat er een moslim meisje in mijn klas zat dat streng gelovig is. Zij stak al gauw haar hand op en vertelde dat het niet waar was wat ik zei. Ik kon volgens haar nooit weten dat de schepping van het leven zo was gegaan en dat ‘’mijn’’ theorie klopte. Volgens haar had haar God (Allah) het perfecte wezen, de mens, geschapen. 

Aanpak  casus 1

Natuurlijk geloofde ik in de theorie die in het boek stond, omdat er sterke bewijzen voor zijn en er wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan.

Toch ben ik de discussie niet met haar aangegaan.  Ik heb haar niet apart genomen maar het klassikaal uitgelegd, omdat er mogelijk meerdere leerlingen in mijn klas zijn die er anders over dachten of waar thuis anders gedacht wordt. De discussie vermeed ik en ik vertelde in een heel open gesprek dat dit slechts theorieën in het boek zijn. Deze theorie moet voor jou niet als ‘’juist’’ of ‘’onjuist’’ beschouwd worden.  Ik zei dat je vooral je eigen geloof aan moet houden en wat je thuis geleerd is. Vervolgens vermelde ik nadrukkelijk dat ik haar standpunt respecteer en er begrip voor heb. Ik probeerde mijn standpunt dus te vermijden, omdat ik het gevoel had dat een discussie tot niks uit zou lopen. Wel zei ik dat dit theoretische stof is zoals die in het boek staat en wat je voor je examen moet kennen. Voor het examen moet je het zo leren en kennen zoals het in het boek vermeld staat. In het begin was het voor haar lastig om aan te horen, wat ik wel begrijp. Je bent je hele leven lang op een bepaalde manier iets ‘’aangeleerd’’ en nu kreeg je in één keer andere theorieën te horen. Ook vond ze het lastig om te realiseren dat het niet mijn standpunt was maar dat het slechts in het boek zo stond. Daardoor probeerde ze in het begin een soort van discussie aan te gaan, terwijl ik haar standpunt eigenlijk helemaal niet aanviel of wat dan ook. Uiteindelijk begreep ze het wel, hoewel ik nog steeds het gevoel had dat ze er een beetje mee zat om het zo te leren. Ik realiseerde me dat het kon uitlopen tot een serieuze confrontatie waarbij ouders al gauw een rol gingen spelen. Gelukkig bleef het hierbij.
Bij het behandelen van dit onderwerp is het dus belangrijk dat je weet wat je in je klas hebt zitten. Je moet hier als docent rekening mee houden en communicatief erg duidelijk zijn. Ik denk dat je veel respect en begrip moet tonen voor verschillende ideeën die leerlingen hebben over dit onderwerp. Wel moet je ze duidelijk maken dat voor het vak biologie het zo geleerd moet worden dat het klopt met wat in het boek staat. Het examen is berust op het boek en die stof moet je op dat moment kennen. Of je het er nu mee eens bent of niet. Deze ‘’misverstanden’’ of onnodige irritaties kun je voorkomen door aan het begin van je les al een goed en open gesprek te houden.

Analyse en interventie volgens TOPOI (mede op grond van verdere toelichting van betrokken lerarenopleider)

Taal: toen realiseerde ik me niet dat je met de taal rekening moet houden. Vanuit mijn eigen aard kan ik vaak begrip voor zulke situaties tonen en pas ik mijn taalgebruik daarop aan. Ik ben heel geduldig. De taal en manier van praten vormde geen probleem voor mij. Voor haar denk ik ook niet, omdat ze er toch best rustig onder bleef en in het begin misschien lichtelijk gefrustreerd.

Ordening: ik gaf haar de ruimte om haar visie op de situatie te geven. Dit deed ze dan ook door te zeggen dat het niet waar was wat ik zei en ik volgens haar nooit kon weten dat de schepping van het leven zo was gegaan en dat ‘’mijn’’ theorie klopte. Volgens haar had haar God (Allah) het perfecte wezen, de mens, geschapen. Ik bestrijden of beoordeelde haar visie niet en ging er niet tegenin.

Personen: eerst voelt het meisje zich niet begrepen, doordat ze door een misverstand denkt dat ik vertel hoe het allemaal is gegaan en de rest het zo wil leren. Na mijn uitleg is ze niet meer zo gefrustreerd en dat komt ook omdat ik haar verhaal liet doen en begrip voor haar toonde. Ze heeft niks meer tegen mij (voor zover dat al was) maar er is verwarring en onbegrip over de theorie in het boek en wat ik van haar verwacht.

Organisatie: hierin heb ik haar duidelijk gemaakt dat binnen de opleiding de theorie geleerd moet worden zoals het in het boek staat en het niet als ‘’juist’’ of ‘’onjuist’’ beschouwd moet worden. Het vak biologie moet zo geleerd worden dat het klopt met wat in het boek staat. Het examen berust op het boek en die stof moet je op dat moment kennen. Op dat moment ben ik de juist persoon voor haar om het uit te leggen, ook omdat het betrekking heeft op mijn vak.

Verder: ik ben de discussie niet met haar aangegaan.  Ik heb haar niet apart genomen maar het klassikaal uitgelegd, omdat er mogelijk meerdere leerlingen in mijn klas zijn die er anders over dachten of waar thuis anders gedacht wordt.

Inzet: ik wilde graag duidelijk maken dat dit niet per se de juiste gedachtegangen hoefde te zijn. Als leerling met een sterk geloof hiermee zitten wil ik het graag horen en uitpraten of toelichtgen. Zij heeft haar inzet getoond door te vertellen hoe zij erover dacht hoe leven is ontstaan maar ook ervoor te zorgen dat ik duidelijk maakte dat dit niet de juiste manier hoeft te zijn. Voor mij was haar bedoeling duidelijk, maar mijn bedoeling voor haar was nog niet geheel duidelijk denk ik achteraf.

Casus 2

Een Surinaams-Chinese studente zit in het tweede jaar van de HBO-opleiding Personeel en Arbeid. Ze heeft een lichte lichamelijke handicap. De studente heeft moeite met assertiviteit: ze vindt het moeilijk zich kritisch op te stellen en voor zichzelf op te komen in de lesgroep. Ze zegt er zelf ook last van te hebben.

De docenten vragen zich af of zij geschikt is voor de opleiding Personeel en Arbeid. Ze zijn bang dat ze het in haar stage in het derde jaar niet goed zal doen vanwege dit gemis aan assertiviteit.

Ik heb - als haar mentor - hierover een gesprek met haar. Ik vraag haar of haar moeite met assertiviteit te maken zou kunnen hebben met haar culturele achtergrond. De studente beaamt dit opgelucht en zegt dat ze thuis tegenover haar ouders onmogelijk assertief kan zijn.

Ik voel me nu in een dilemma zitten: enerzijds vraagt de opleiding van haar studenten een assertieve opstelling. Anderzijds conflicteert deze eis van assertiviteit met de cultuur van deze Surinaams-Chinese studente en waarschijnlijk met die van meer allochtone studenten

Deze casus komt uit de praktijk en is in deze vorm schriftelijk ingebracht door een deelnemer aan een training Interculturele communicatie. Uit deze casus blijkt duidelijk de valkuil van de culturaliserende benadering. Het hele gedrag van de studente verklaart de mentor bij voorbaat vanuit haar etnisch-culturele achtergrond. Vervolgens biedt hij haar, vanuit heel begrijpelijke redenen en vanuit de beste bedoelingen om respectvol te handelen, haar cultuur aan als legitimatie, als een excuus voor haar gedrag. Hiermee zet de mentor de studente én zichzelf vast. Hij lijkt cultuur te beschouwen als een statisch gegeven, waarvoor je uitsluitend en alleen respect dient te hebben en die je niet ter discussie stelt.

Analyse en interventie volgens TOPOI

Op het gebied Taal kan de mentor de volgende hypothesen (in vraagvorm) aan de orde stellen: wat zijn de mogelijke misverstanden tussen de mentor en de studente over de betekenis van het begrip ‘assertiviteit’? Welke betekenissen heeft assertiviteit in de leefomgeving van de studente; bijvoorbeeld haar studiegenoten, vrienden, gezin of familie? Hoe komt de studente voor zichzelf op of geeft ze haar mening ook als die afwijkt van die van de ander (medestudenten, docenten, thuis, familie, vrienden)? Wat betekent de opluchting (non-verbale taal) van de studente? Welke betekenis heeft de lichte lichamelijke handicap (lichaamstaal) voor de studente? En uit welk verbaal en non-verbaal gedrag van de studente blijkt dat ze niet assertief zou zijn?

Wat interventies betreft, kan de mentor op een ondersteunende manier doorvragen wat de studente bedoelt met ‘assertiviteit’, ‘opgelucht’ en ‘mijn cultuur’, wat haar ouders en directe leefomgeving bedoelen met en denken over assertiviteit. De mentor kan verhelderen welke betekenis assertiviteit heeft voor hemzelf, binnen de opleiding en binnen het beroepsprofiel Personeel en Arbeid. En hij kan de studente binnen het kader van de vereiste assertiviteit feedback geven op haar verbale (non-verbale) gedrag in de lesgroep en tijdens het mentorgesprek.

Op het gebied Ordening lijkt de mentor en later ook de studente het vraagstuk meteen als een etnisch-cultureel probleem (culturaliserend) te ordenen en niet bijvoorbeeld als een opleidingsprobleem. Daardoor generaliseert de docent wellicht te snel dat alle studenten met een niet-Nederlandse achtergrond problemen met assertiviteit hebben. Andere mogelijke kwesties die te onderzoeken zijn in dit verband: in hoeverre heeft de loyaliteit van de studente met haar ouders invloed op haar zienswijze; de etnische minderheidspositie, het vrouw-zijn of het gehandicapt-zijn van de studente en de houding van medestudenten in de lesgroep die een rol kunnen spelen. Verder het besef bij de mentor en de studente van de mogelijk onoplosbare verschillen tussen enerzijds de gewenste assertiviteit op haar opleiding en anderzijds haar respectvol gedrag thuis, maar ook de gemeenschappelijkheid dat zowel mentor als studente wil dat zij haar opleiding succesvol doorloopt en afrondt.

Als interventie kan de mentor zijn culturaliserende benadering loslaten en meer systeemtheoretisch naar de kwestie kijken. Dit betekent dat hij de verschillende sociale systemen van de studente (haar lesgroep, haar thuissituatie, haar vriendenkring) onderzoekt door open vragen te stellen. De mentor kan de studente erkennen in haar loyaliteit met haar ouders en door vragen en uitleg verhelderen wat de kijk is van hem, van de studente en van haar directe omgeving (thuis, vrienden, medestudenten) op assertief en respectvol gedrag. De mentor kan verhelderen wat hij en de beroepsopleiding verstaan onder assertiviteit en met de studente onderzoeken hoe ze onderscheid kan maken tussen assertiviteit op de opleiding en assertiviteit thuis. Hierbij is het geen kwestie van of-of, maar van en-en vanuit de verschillende sociale rollen (sociale identiteiten) als studente en dochter van (zie verder het gebied Personen).

De mentor kan de gemeenschappelijkheid benoemen: zowel hij als de studente wil dat zij haar opleiding succesvol doorloopt en afrondt. Dit kan hij als vertrekpunt nemen voor een verdere verkenning met de studente van mogelijkheden om de vereiste competentie van assertiviteit binnen de opleiding te bereiken.

Op het gebied Personen lijkt de mentor als een respectvol, begrijpend persoon te willen overkomen bij de studente, vooral ten aanzien van haar culturele achtergrond. Dit gebeurt mogelijk onder invloed van de in Nederland sterk levende sociale representaties: Je moet andere culturen respecteren en Je mag niet discrimineren. Ook de sociale representatie Migranten zijn niet assertief heeft wellicht invloed op de beeldvorming van de docent, gezien zijn generalisatie van het probleem van assertiviteit naar alle migrantenstudenten. Waarschijnlijk ziet de mentor daardoor de studente alleen als Surinaams-Chinese en bijvoorbeeld niet als studente, vrouw, immigrante, Nederlandse, dochter van haar ouders of licht gehandicapte, met als mogelijk effect dat de studente zich door de mentor alleen voelt aangesproken als Surinaams-Chinese en niet in de andere hiervoor genoemde hoedanigheden.

Wat positie in de communicatie betreft, wekt de mentor de indruk vooral een leidende positie in te nemen. Hierdoor vult hij met zijn suggestieve, gesloten vragen veel in voor de studente. Dit is niet werkzaam bij een studente die weinig assertief is.

De mentor kan reflecteren hoe hij zichzelf als mentor ziet, hoe hij zich presenteert en hoe hij als mentor bij de studenten wil overkomen en wat hierbij de mogelijke valkuilen zijn. Hij kan een volgende interactiewijze (Roos van Leary) kiezen en door open vragen de studente meer aan het denken en vertellen zetten in plaats van veel voor haar in te vullen. Met de studente kan hij verkennen wat haar zelfbeeld is, hoe zij zichzelf ziet in de lesgroep en tegenover docenten, hoe zij denkt over haar lesgroep, hoe zij denkt dat haar medestudenten over haar denken, en in welke rol (bijvoorbeeld studente, medestudente, dochter, lichamelijk gehandicapte, vrouw) zij moeite heeft met assertiviteit.

De mentor kan zich bewust worden van de invloed die uitgaat van de sociale representaties die in de samenleving leven: ‘Heb respect voor de cultuur van een immigrant’ en ‘Je mag niet discrimineren’ op zijn communicatie met studenten van buitenlandse afkomst. Is hij zich deze sociale representatie eenmaal bewust, dan kan hij deze loslaten en meer onbevangen het gesprek aangaan met haar als studente en met andere studenten van buitenlandse afkomst.

Ten aanzien van het gebied Organisatie komt de vraag op wat de opleiding verstaat onder assertiviteit, wat precies de relevantie ervan is voor het aanstaande beroep en hoe de opleiding deze competentie toetst? In hoeverre is de studente op de hoogte van wat de eindtermen en/of het beroepsprofiel zeggen over assertiviteit?

Een andere organisatorische vraag is hoe het komt dat niet eerder bij de studente een gebrek aan assertiviteit is opgemerkt? Ze zit nu immers al in het tweede jaar.

De mentor kan voor de studente verhelderen wat de opleiding verstaat onder assertiviteit, wat het belang ervan is voor het latere beroep en hoe deze getoetst wordt. Hij kan de studente ook vragen of ze in haar gedrag (assertiviteit) onderscheid kan maken naar opleiding en werk enerzijds en haar thuissituatie anderzijds.

Na met de studente verhelderd te hebben wat zij nodig heeft om de vereiste assertiviteit te bereiken, kan de mentor – indien passend – begeleidingsafspraken maken met de studente specifiek gericht op haar assertiviteit of haar een assertiviteitstraining laten volgen.

Beleidsmatig kan de mentor binnen de opleiding met collega’s bespreken (en overeenstemming proberen te krijgen over) wat zij verstaan onder assertiviteit, welke professionele relevantie assertiviteit heeft, hoe deze in de eindtermen expliciet naar voren komt en hoe deze getoetst wordt.

Als laatste het gebied Inzet. Hier kan de mentor de volgende vragen onderzoeken: wat bedoelt de studente met de uitspraak dat ze er zelf ook last van heeft dat ze moeite heeft met assertiviteit? Is dit een teken van haar inzet om te willen veranderen? Wordt de inzet van de studente binnen haar lesgroep gezien en erkend? Hoe wordt er binnen de lesgroep met inzet omgegaan? Wat ziet de studente van haar invloed binnen de lesgroep? Wat ziet de studente van haar invloed binnen haar familie en specifiek ten aanzien van haar ouders?

Beseft de mentor dat het effect van zijn opmerking over de culturele achtergrond van de studente anders uitpakt dan wat hij bedoelt te bereiken? Zijn bedoeling is een verandering in het gedrag van de studente bewerkstelligen. Het effect lijkt geruststelling (een excuus?), waar de studente zich bij neerlegt.

De mentor kan erkennend doorvragen wat de studente bedoelt met de last die ze heeft van haar moeite met assertiviteit. Invoegend in haar verhaal kan hij de mogelijkheden tot verandering verkennen. Verder kan hij erkennend de gave gebieden onderzoeken waar de studente wel haar invloed ziet binnen de lesgroep en tegenover haar ouders. Bijvoorbeeld: wat gaat goed binnen de lesgroep en in welke situaties (ook mogelijk tegenover haar ouders) kan ze zich wel assertief opstellen? Wat kenmerkt deze situaties dat het haar wel lukt assertief te zijn? Met de studente kan hij vervolgens bespreken wat ze nodig heeft om ook in voor haar lastige stituaties assertief te zijn en hoe deze voorwaarden versterkt kunnen worden op een voor de studente passende en respectvolle wijze.

Werkend met de effecten van zijn communicatie kan de mentor de studente vragen waarom zij opgelucht is met zijn opmerking over haar culturele achtergrond. Welke consequenties heeft dit voor haar opstelling in de opleiding en haar latere professionele rol?