Praten heeft zin

Case 14

Edwin Hoffman

Praten heeft zin

Nuray Choudry, 10 jaar, zit samen met haar twee broertjes op Openbare Basisschool de Koppel. Het is een leuke school. Ze zitten nog maar kort op de school omdat ze pasgeleden verhuisd zijn vanuit de grote stad naar een kleiner dorp. Nuray heeft het erg naar haar zin op die school. Haar leraar is juffrouw Hennink. Volgende week begint de ramadan. Als Eiza, Nuray’s moeder haar dochter van school ophaalt, gaat ze eerst naar juffrouw Hennink omdat ze wil vragen of Nuray vrij kan krijgen voor het suikerfeest. Het gesprek met de juffrouw loopt stroef. Juffrouw Hennink is ook lichtelijk geïrriteerd omdat ze vindt dat ouders met migratie-achtergrond wel veel van de school vragen maar niet meedoen wanneer de school hen nodig heeft voor hand- en spandiensten of op ouderavonden. Nuray’s houding en verzoek vindt juffrouw Hennink daar zo’n voorbeeld van. Verder vindt de juffrouw dat Nuray eigenlijk niet van school weg kan blijven. Ze is al veel ziek geweest en heeft daardoor een redelijke achterstand. Daarom stelt de juffrouw voor dat Nuray 1 dag vrij krijgt en de andere dagen van het Suikerfeest gewoon naar school komt. Ook de andere islamitische kinderen krijgen maar 1 dag vrij van school. De juf wil geen uitzonderingen maken en hetzelfde beleid hanteren. Eiza is het daar niet mee eens. Zij wil dat haar kinderen alle drie de dagen het belangrijke feest mee kunnen vieren.

Eiza heeft het er later op de avond met Nasr, haar echtgenoot, over. Ze vindt dat de school geen rekening houdt met haar kinderen en het islamitische geloof. Ook toen Nasr en Eiza het tijd vonden voor Nuray om een hoofddoek te gaan dragen, kwamen daar veel problemen van. De school was het daar niet mee eens. Ze vonden dat daardoor Nuray afgezonderd werd van de andere kinderen omdat ze niet mee kon doen met gym. Daarnaast vond de schoolleiding dat een openbare basisschool geen plek is voor hoofddoekjes. Uiteindelijk hebben Nasr en Eiza toen besloten om pas op de middelbare school te kiezen voor een hoofddoek voor Nuray. Omdat het de week erop ouderavond is, besluit Nasr om het dan nog eens met juffrouw Hennink te bespreken.

Juffrouw Hennink is blij dat meneer Choudry gekomen is om over zijn dochter te praten. Er komen niet veel ouders met migratie-achtergrond naar de ouderavond. Nadat ze over Nuray haar schoolresultaten hebben gesproken vraagt juffrouw Hennink of meneer Choudry nog vragen heeft. Meneer Choudry begint dan zijn probleem met het niet vrij krijgen voor het suikerfeest uit te leggen.

Commentaar

In deze casus komen veel zaken samen die een rustige aanpak van de geschilpunten bemoeilijken. Tegelijk is er een goede basis om de dialoog met elkaar (ouders en school) aan te gaan en niet te snel de conclusie te trekken dat praten geen zin heeft; integendeel!

Laten we eerst de positieve basis voor een dialoog benoemen: de openbare basisschool de Koppel is een leuke school, Nuray heeft het erg naar haar zin op die school en juffrouw Hennink is blij dat de vader van Nuray naar de ouderavond is gekomen.

Dan de geschilpunten: allereerst is er al eerder de kwestie van de hoofddoekjes geweest, ten tweede willen de ouders van Nuray drie dagen vrij voor hun kind vanwege het suikerfeest en verder zijn er de algemene problemen dat veel ouders met migratie-achtergrond veel verlangen van de school en dat ouders met migratie-achtergrond weinig participeren in ouderactiviteiten voor de school.

NB Let op dat de beschrijving van de algemene problemen een andere is dan juffrouw Hennink ze formuleert (samengevat): ‘ouders met migratie-achtergrond vragen veel maar doen niets voor de school’. Door het woordje maar te vervangen door en, worden in plaats van één probleem twee aparte problemen benoemd die op zich niets met elkaar te maken hebben. Hierdoor verandert het karakter van de probleemstelling: het vervelende ‘voor wat hoort wat’ – karakter wordt weggehaald waardoor je een betere – meer neutrale - probleemanalyse en –benadering krijgt.

Wat betreft het gesprek van juffrouw Hennink met meneer Choudry: dit kan verschillende wendingen nemen. Hoe het gesprek zich verder ontwikkelt is onder andere afhankelijk van het (interculturele) schoolbeleid van de school. Helaas lezen we daar niet veel over.

In mijn verdere commentaar ga ik op twee niveaus op de kwestie in:

  1. een mogelijk vervolg van het gesprek van juffrouw Hennink met meneer Choudry
  2. het schoolbeleid
  3. Als laatste geef ik nog enkele algemene aanwijzingen voor de gespreksvoering met ouders met migratie-achtergrond.

1. Een mogelijk vervolg van het gesprek van juffrouw Hennink met meneer Choudry.

Alvorens een mogelijk vervolg van het gesprek te schetsen, enkele opmerkingen vooraf:

Een mogelijke valkuil voor Juffrouw Hennink is dat ze geïrriteerd raakt. De irritatie kan ontstaan omdat ze van mening is dat meneer Choudry eigenwijs is en zijn zin wil doordrijven. Tevens kan Juffrouw Henninks irritatie aangewakkerd worden door haar eerdere gevoel – in het gesprek met Eiza (Choudrys vrouw) - dat meneer Choudry evenals de andere ouders met migratie-achtergrond weliswaar veel van de school vraagt, maar zelf weinig inbrengt bij activiteiten waarbij ouders gevraagd wordt hand- en spandiensten te verrichten.

Om deze irritatie te voorkomen en om de communicatie met meneer Choudry open te houden is het van belang dat juffrouw Hennink er van uitgaat dat meneer Choudry als ouder het beste voor zijn kind wil. Zodoende kan ze hem oprecht erkennen in zijn zienswijze en wensen als ouder (en niet in de eerste plaats zien als migranton of moslim) . Hierbij is het goed te weten dat erkennen niet hetzelfde is als gelijk geven of het ermee eens zijn. Erkennen betekent kunnen invoelen en begrijpen dat de ander het zo ziet, het zo beleeft en het zo van belang vindt. Erkennen is de ander het gevoel geven dat zijn zienswijze, beleving en wensen er mogen zijn en zo gek nog niet zijn. Erkenning is van wezensbelang in de interpersoonlijke communicatie: als een persoon zich erkend en begrepen voelt, kan zij of hij meer open staan voor een aanvulling op of een wijziging van haar of zijn zienswijze en gedrag.

Verder is een belangrijk uitgangspunt – en daarmee een belangrijk houdingsaspect van juffrouw Hennink – dat zij en de school de culturele en religieuze achtergrond van alle ouders en dus ook die van de ouders met migratie-achtergrond, gelijkwaardig erkend en daarmee voorzover mogelijk binnen de gegeven kaders van het onderwijs, rekening probeert te houden (zie hiervoor verder punt 2 over het interculturele schoolbeleid).

Vanuit voorgaande houding kan Juffrouw Hennink beginnen te zeggen tegen meneer Choudry dat het suikerfeest blijkbaar erg belangrijk voor hem is aangezien hij opnieuw terugkomt op het niet vrij krijgen voor het suikerfeest. Ze kan hem zeggen dat ze eerder met zijn vrouw hierover gesproken heeft en hem vragen wat zijn vrouw van dat gesprek verteld heeft en hoe ze het gesprek gevonden heeft. Dit geeft juffrouw Hennink de mogelijkheid goed aan te sluiten op het verhaal van meneer Choudry en tevens te achterhalen wat gemaakt heeft dat het gesprek met Eiza (Choudry’s vrouw) zo stroef verlopen is. Juffrouw Hennink kan zodoende op eventuele misverstanden of onbedoelde kwetsingen van mevrouw Choudry, terugkomen, deze ophelderen en alsnog goed maken.

Voorgaande levert op dat meneer Choudry zich erkend en begrepen voelt. Juffrouw Hennink van haar kant kan vervolgens haar standpunt (en dat van de school) naar voren brengen. Dit doet ze niet vanuit een de bedoeling te willen overtuigen of te willen opleggen (‘U moet zich aanpassen’ of ‘Wij in Nederland..’) maar vanuit de intentie meneer Choudry duidelijk te willen maken en werkelijk het gevoel te willen geven dat zij en de school alle ouders ongeacht religie en etnische achtergrond respecteren, dat zij de wens van meneer en mevrouw Choudry betreffende het Suikerfeest oprecht serieus in overweging hebben genomen en vanuit welke overwegingen (schoolbeleid en daarbij nog de achterstand van Nuray vanwege haar ziekte) ze tot het besluit zijn gekomen dat er maar één dag vrij gegeven kan worden aan Nuray. Dit alles vertelt juffrouw Hennink in aansluiting op het verhaal van meneer Choudry en op zijn inzet het beste voor zijn dochter te willen. Dat laatste is namelijk wat juffrouw Hennink , de school en meneer en mevrouw Choudry met elkaar gemeenschappelijk hebben. Juffrouw Hennink kan dit gemeenschappelijke voor meneer Choudry benoemen want het vormt een belangrijke basis voor het gesprek en voor het oplossen van de verschillen die er liggen.

In hetzelfde gesprek of in een volgend gesprek kan juffrouw Hennink met meneer Choudry vragen of hij met de school wil meedenken hoe de school meer ouders met migratie-achtergrond kan betrekken bij het onderwijs en hoe de school binnen de haar gegeven kaders meer rekening kan houden met de diversiteit aan culturele en religieuze achtergronden van de ouders. Meneer Choudry komt namelijk over als iemand die graag als ouder in gesprek wil treden met de school. De school kan hier op een positieve manier gebruik van maken om haar intercultureel beleid meer vorm te geven en de participatie van ouders met migratie-achtergrond te vergroten. Voor meneer Choudry levert dat ook erkenning op: hij en andere ouders een migratie- en/of islamitische achtergrond worden serieus genomen.

2. Het schoolbeleid

Wat betreft het beleid van de school dienen het schoolbeleid en het onderwijs zo ingericht moeten zijn dat ze tegemoet komen aan de culturele diversiteit van haar leerlingen en hun ouders. Wanneer bijvoorbeeld de school veel islamitische leerlingen heeft dan dient ze – binnen de kaders van haar identiteit (openbare school) en haar onderwijsdoelen - oprecht en met volledige inzet te bezien in hoeverre ze tegemoet kan komen aan de wensen van de ouders inzake het onderwijs aan hun kinderen. Dit geldt dan bijvoorbeeld zoals in deze casus het dragen van hoofddoekjes en het vrij hebben met het suikerfeest.

Nu is het voor een school vaak lastig te beslissen in welk opzicht ze de wensen van ouders wel tegemoet komt en in welk opzicht niet.

Om hierover een beslissing te nemen kunnen de volgende overwegingen een hulpmiddel zijn:

  • voorkom een discussie over aanpassen: wie zich aan wie moet aanpassen.
  • Denk en handel inclusief: dat is denken en handelen vanuit een ‘wij’ en geen denken in wij en zij : wij Nederlanders tegenover zij migranten of moslims. Inclusief denken en handelen richt zich vooral op wat je met elkaar gemeenschappelijks hebt: bijvoorbeeld het ouder-zijn van de kinderen op school.
  • Inclusief denken en handelen verbindt onlosmakelijk twee andere uitgangspunten: de erkende gelijkheid en de erkende diversiteit. De erkende gelijkheid betekent dat bijvoorbeeld ouders en leerlingen, ook die met een migratie- en islamitische achtergrond, in de eerste plaats ouders en kinderen zijn en géén migranten en moslims. Soms zien onderwijzers en de directie ouders en leerlingen met een migratie- en islamitische achtergrond in de eerste plaats als migranten en als moslims; wie zo denkt, denkt exclusief in termen van wij en zij.
  • Erkende gelijkheid betekent dat alle ouders en leerlingen in principe dezelfde rechten en plichten hebben. Dit betekent echter niet dat je ieder over één kam kunt scheren. Daarom is het uitgangspunt van de erkende diversiteit onverbrekelijk verbonden met het uitgangspunt van de erkende gelijkheid. Het principe van de erkende diversiteit betekent dat een school zoveel mogelijk tegemoet komt aan de verschillende wensen en behoeften van ouders en kinderen. Als ze aan de wensen en behoeften van een bepaalde groep ouders tegemoet kan komen dan moet dat aan alle ouders en leerlingen ten goede komen.
  • Als je zo steeds gelijktijdig de twee principes van de erkende gelijkheid en de erkende diversiteit erkent, denk en handel je inclusief, behandel je iedereen gelijkwaardig en verhoog je de kwaliteit van je onderwijs!

Kwaliteit van het onderwijs

Erkende Gelijkheid Erkende Diversiteit

Inclusief Denken en Handelen

Gelijkwaardigheid

(in beleid en communicatie)

  • Wat betekent voorgaande nu concreet: in de casus geven islamitische ouders aan dat ze graag in verband met het Suikerfeest vrij willen hebben. De school ziet zo’n vraag als een redelijke vraag van een aantal ouders (inclusief denken en erkende gelijkheid). De vraag van de ouders is redelijk omdat de christelijke ouders ook hun belangrijke feestdagen met vrije dagen kunnen vieren (erkende diversiteit). De school bekijkt wat in er binnen haar schoolwerkplan mogelijk is en besluit bijvoorbeeld dat met het suikerfeest de leerlingen 1 dag vrij kunnen hebben. Vanuit het inclusief denken betekent dit nu dat niet alleen de islamitische kinderen vrij hebben met het suikerfeest (dat zou anders exclusief denken zijn) maar alle leerlingen. Daarbij is het belangrijk dat alle leerlingen en hun ouders geïnformeerd worden over de betekenis van het suikerfeest zoals ook alle leerlingen geïnformeerd worden over de Christelijke feestdagen.
  • Bij het beslissen over bepaalde wensen en behoeften van ouders is het belangrijk om behalve inclusief ook functioneel te kijken en niet ideologisch. Bijvoorbeeld: enkele ouders geven te kennen dat ze hun dochter met een hoofddoek naar school willen laten gaan. Soms is de reactie van een school hierop heel fel (ideologisch), omdat ze hoofddoekjes associëren met moslimfundamentalisme. Functioneel kijken betekent jezelf de vraag stellen: is het hoofddoekje een praktische belemmering voor de kinderen om het onderwijs op school te volgen. Als dat bijvoorbeeld bij de gym het geval is, zoals in de casus staat dan dient de school dat de ouders mee te delen en uit te leggen. De school dient dan functioneel uit te leggen waarom het hoofddoekje met de gym niet opgehouden kan worden. Functioneel uitleggen betekent dan dat je ingaat op de praktische belemmeringen die een hoofddoek oplevert voor de gym zoals ieder ander hoofddeksel (inclusief denken). Functioneel betekent dus dat de hoofddoek een hoofddeksel is en daardoor belemmerend is (en dus niet omdat het een religieuze uiting is).

De kinderen zouden dan – behalve in de gymles - verder wel een hoofddoek op kunnen houden.

De school kan nog andere redenen hebben waarom ze geen hoofddoek wil toelaten bijvoorbeeld zoals in de casus staat omdat op een openbare basisschool geen plaats is voor hoofddoekjes: de basisschool is immers neutraal vindt /denkt ze. Zo’n standpunt van de school is begrijpelijk, maar dan dient ze vanuit een inclusief denken consequent alle uitingen van een bepaalde religie (b.v. kruisjes, religieuze feestdagen, religieus getinte feesten zoals sinterklaas en carnaval) weg te doen…

Op voorgaande wijze kan de school haar diversiteitsbeleid vorm en inhoud geven. Vervolgens is het dan van belang vanaf het begin wanneer de ouders hun kinderen inschrijven, de ouders duidelijk te informeren over deze zaken.

  • Een ander punt voor het schoolbeleid kan nog de ouderbetrokkenheid zijn, zoals in de casus. Vanuit een inclusief denken bekijk je als school welke groepen ouders (niet alleen de categorie migranten) niet bereikt worden. De school kan zich dan beraden welke stappen ze moet ondernemen. Een belangrijke stap is bijvoorbeeld al huisbezoek, dus eerst zelf naar de ouders toegaan; interesse en betrokkenheid tonen; samen bespreken hoe de ouders betrokken willen en kunnen zijn bij de school. Een ander belangrijk uitgangspunt is hierbij de hypothese van het beste: dat je er vanuit gaat dat ieder persoon, iedere oudere het beste wil voor zijn kind en ‘goede’ redenen heeft waarom zij of hij doet zoals zij/hij doet. Bij de ouders met migratie-achtergrond kan het zijn de taal een probleem is, of de onbekendheid met ouderbetrokkenheid of het zich niet thuis voelen in de omgangscultuur op school. Een open gesprek hierover met ouders kan opheldering en ideeën opleveren.

Tot zover het school diversiteitsbeleid dat mits goed opgezet al veel problemen voorkomt in de interpersoonlijke omgang en communicatie tussen ouders en school . Bij dat diversiteitsbeleid hoort overigens natuurlijk ook intercultureel onderwijs waarvoor al veel suggesties bestaan.

3. De gespreksvoering met ouders met migratie-achtergrond

Hier volgen nog samengevat enkele algemene aanwijzingen voor het omgaan met culturele verschillen in de gespreksvoering met ouders met migratie-achtergrond:

  • Zie en benader de ouders met migratie-achtergrond in de eerste plaats als ouder (inclusief denken), niet als migrant.
  • Wees voorbereid op verschillen. Het maakt dat afwijkend gedrag je niet meteen irriteert omdat je het negatief interpreteert. Je kunt dan rustig blijven en op zoek gaan naar mogelijke verschillen en misverstanden.
  • Hanteer de hypothese van het Beste: ga ervan uit dat elke ouder het beste wil voor zijn kind, ook al is het gedrag negatief (bv slaan). Ga op zoek naar onderliggende motieven van ouders, erken deze (niet hetzelfde als er mee eens zijn), onderzoek ook wat in dit opzicht goed gaat tussen ouder en kind en versterk deze positieve kanten en/of probeer dan de kijk van de ouders uit te breiden (bv andere manieren om kinderen te doen luisteren).
  • Werk met de effecten van uw communicatie. Dit betekent dat het effect van uw communicatie op de ouder het vertrekpunt is voor uw volgende communicatie. In die zin behoud je als docent ook de regie over het gesprek. Je begint bijvoorbeeld met directe vragen te stellen en wanneer je ziet dat de ouder stilvalt, maak je dit bespreekbaar of stel je je communicatiestijl bij.
  • Respectvolle communicatie door wederzijdse verantwoording. Passieve tolerantie tegenover elkaars 'cultuur' dient plaats te maken voor een oproep tot wederzijdse ver-antwoord-ing. Dit betekent als docent bij jezelf te rade gaan en je laten aanspreken waarom je bepaalde dingen vindt en doet én eveneens ouders durven aanspreken op hun gedrag of overtuigingen. Echt respect voor andermans culturele achtergrond heb je pas wanneer je er over in gesprek durft te gaan.
  • Open reflectieve houding In de communicatie is alleen sprake van aandeel; niet van schuld. Als dingen misgaan in de communicatie dan heeft ieder daar een aandeel in; er is géén sprake van schuld van één partij. Bij miscommunicatie is het vanuit een open reflectieve houding van belang jezelf af te vragen: Wat doe ik... dat die ander doet zoals zij/hij doet.
  • Verschillen en misverstanden zijn in élke communicatie eerder regel dan uitzondering. Besef hiervan voorkomt irritatie, zelfverwijt en verwijten aan de ander. Het kan je tevens een ontspannen gevoel geven om ook in de communicatie met een ouder met migratie-achtergrond je niet verkrampt voorzichtig op te stellen en uw spontaniteit en onbevangenheid te behouden. Het belangrijkste is te vertrouwen op de eigen inzet, integriteit en kwaliteiten. Doorslaggevend in je communicatie als docent is een houding van oprechte betrokkenheid en inzet. ‘Fouten' mogen dan gemaakt worden, want de ander ziet je betrokkenheid en inzet die voor 80 % tot uiting komt in je lichaamstaal: stem, gezichtsuitdrukking en lichaamshouding. Vanuit een open, reflectieve houding ben je wel voorbereid op verschillen en daardoor op misverstanden in de communicatie. Het is dan van belang te werken met de effecten van je communicatie: de reactie van de ander is het vertrekpunt voor je volgende communicatie. Zo behoud je tevens de regie over de communicatie.
  • Leren van communicatie Communiceren is risico’s durven aangaan, niet bang zijn voor misverstanden en conflicten. Want pas door het ervaren van verschil, kun je leren over uzelf en over de ander. In dat opzicht is het ook belangrijk culturele verschillen en misverstanden niet te serieus te nemen en daardoor niet te zwaar te maken. Anders doe je afbreuk aan ieders spontaniteit en persoonlijke warmte.

Voorbeeld

Een docente bezocht na lange tijd weer eens een Marokkaans gezin, waarmee ze een heel goed contact had. Blij elkaar weer te zien omarmde ze de vrouw en ze wilde daarna de man heel hartelijk de hand schudden. De man deinsde echter een stukje terug, waarop de docente hem spontaan vastpakte, op de schouder klopte en zei: “Oh ja u mag vrouwen geen hand geven, hé? Vervolgens besefte ze ineens wat ze deed, waarop ze alledrie hartelijk in de lach schoten.