Verslag 'Ik wil je iets zeggen!' Meertaligheid EN (3-11-2017, Sittard)

image1419218688035492078.JPG

image6489996944770216336.JPG

image5443141840016265134.JPG

Dankzij de organisatie van Fontys OSO, de leerstoel Taalcultuur in Limburg (FASoS, Universiteit Maastricht) en het Meertens Instituut, met medewerking van Campus Sittard en LBRT, vond er dit jaar alweer voor de derde keer een interactieve middag rondom meertaligheid plaats, waarbij ditmaal de focus lag op meertaligheid van kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS), autisme, slechthorendheid en doofheid. Op vrijdag 3 november 2017 – dag van de clichés – om 13:30 begon de middag, toepasselijk, met enkele clichés: “Vrouwen praten te veel en mannen luisteren te weinig!”, waarbij het publiek moest lachen. Toch, bij één van de clichés, knikte het publiek: bij een onderwerp zoals meertaligheid en TOS zijn er weinig mannen aanwezig.

Wat is dan de meerwaarde van zo’n dag? Zoals Anja van Schijndel – een van de organisatoren samen met Leonie Cornips – zegt, is het een goede kans om kennis over meertaligheid en kinderen/jongeren met educational needs uit te wisselen, maar dan zowel vanuit het wetenschappelijke perspectief als het perspectief van ervaringsdeskundigen. Het samenkomen van deze twee ‘werelden’ werd daarmee ook de rode draad van de dag, waarbij de spits werd afgebeten door Jeanette en Emre, twee ervaringsdeskundigen.

Jannet Ververgaard-Fernhout en Emre Cansimsir

Jannet en Emre zijn samen vanuit Venlo gekomen om over hun ervaringen te spreken. Emre is een jongeman met een TOS die bij Jannet op de Taalbrug in Eindhoven heeft gezeten. Hij definieert zichzelf als half Turks, half Nederlands. Jeanette is ambulant dienstverlener. Zij kent en ondersteunt Emre al lang en helpt hem in de vrijere communicatieve situaties. Hoe communiceer je namelijk als je niet goed kunt zeggen wat je wilt of denkt? Bovendien spreekt zijn moeder in de thuissituatie het liefste Turks en verkiest hij het Nederlands, want zoals hij zelf zegt, spreekt hij niet veel Turks en ook niet heel goed Nederlands. Hij ziet zijn meertaligheid helemaal niet als een probleem. Hij spreekt Turks, Nederlands, dialect, straattaal, en soms gaat het allemaal wat door elkaar, maar daar ziet hij juist de kracht van in: “Het gaat om de mix!”

Tessel Boerma

Heeft een kind nu een taalachterstand of een TOS? Hoe kun je een van de twee diagnosticeren en daarmee de ander uitsluiten? En wat is het verschil precies? Daarover sprak Tessel Boerma. Een TOS is aangeboren en is een primair probleem met het leren van taal. Een taalachterstand daarentegen is een achterstand die ontstaat door verminderd taalaanbod. Voor professionals is het lastig om de twee uit elkaar te houden, ze kunnen namelijk erg op elkaar lijken, en daarbij kunnen er ook nog eens over- en onderdiagnoses plaatsvinden: een meertalig kind kan bijvoorbeeld op jonge leeftijd lijken op een kind met een TOS. Daardoor kan een meertalig kind onterecht gediagnosticeerd worden met een TOS, of een kind met een TOS juist niet.

            Hoe kunnen we dan een TOS bij een meertalig kind identificeren? Een TOS manifesteert zich in iedere taal en is dus niet afhankelijk van taalspecifieke kennis. Met gebruik van een quasi-universele nonwoordrepetitietaak, een test met niet-bestaande woorden opgemaakt uit klanken die in bijna alle talen van de wereld voorkomen, kan dit wel. Een meertalig kind kan zijn algemene kennis over taal toepassen bij het herhalen van deze niet bestaande woorden, en dat is juist waar een kind met een TOS problemen mee heeft.

Christian Kortooms

Christian is orthopedagoge en werkt met hele jonge kinderen. Zij probeert kinderen een zo rijk mogelijk ‘taalbad’ aan te bieden. In haar toespraak beaamde ze Tessel’s punt dat het lastig is om een taalachterstand van een TOS te onderscheiden. Verder is het belangrijk om het belang van meertaligheid over te brengen aan ouders, zodat zij hun eigen thuistaal met hun kind blijven spreken, ook als dit geen Nederlands is. In haar ogen is het spreken van meerdere talen een rijkdom. In de eerste taal zit gevoel en emotie, en dat is onvervangbaar. Om het belang van meertaligheid over te brengen is wetenschappelijke kennis onmisbaar in de praktijk. Haar grote passie voor taal was duidelijk hoorbaar in het citaat: “Taal zit in je lijf. Taal zit in alles!”

Elma Blom

Elma Blom, universitair hoofddocent bij de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, sprak over TOS, talige diversiteit en de rol van de moedertaal. Dat talen enorm verschillend zijn, daar kwamen alle deelnemers weer eens opnieuw achter toen ze een tongbreker in het Inuktitut probeerden uit te spreken. Die verschillen tussen talen kunnen ook het taalverwervingsproces beïnvloeden. Soms kan de moedertaal bijvoorbeeld een struikelblok zijn bij het verwerven van een tweede taal. Denk aan Slavische talen, zoals het Russisch. Deze talen hebben geen lidwoorden, waardoor een spreker van het Russisch moeite kan hebben met het gebruiken van lidwoorden in het Nederlands. Daarentegen zit er juist door die verschillen ook een kracht in meertaligheid: een kind kan namelijk de ene taal als “springplank” voor het leren van een andere taal gebruiken. Er kunnen cognaten tussen de talen zijn (‘comunicación’ in het Spaans en ‘communicatie’ in het Nederlands bijvoorbeeld), dat voordelig kan zijn voor het fonologisch bewustzijn en de algemene vaardigheden van een kind. De vraag is echter nog: kunnen mensen met een TOS hun moedertaal ook als springplank gebruiken, met alle bijkomende voordelen? En wat moeten we met al die andere thuistalen?

            De moedertaal van een kind is een deel van de identiteit van een kind. De integratie van en tolerantie voor talen in het onderwijs is goed voor het welzijn, zelfvertrouwen en het gevoel ergens bij te horen. Bovendien heeft het ook een positieve invloed op schoolprestaties. In de woorden van een Spaans-Engels tweetalig kind: “English runs through my veins, while Spanish is in my heart.”, waarop Ofelia García’s citaat mooi aansluit: “What kind of damage are we doing to a child if we remove one of those components?”.

Anouk Middelkoop- van Erp

Anouk Middelkoop is docent Master Educational Needs bij Fontys OSO. Ze is nauw betrokken bij ontwikkeling en uitvoering van modules en praktijkgericht onderzoek op het gebied van spraak, taal- en gehoorproblemen. In haar toespraak heeft zij beklemtoond dat meertaligheid óók gebarentaal omvat. Ouders met een kind met gehoorproblemen vragen zich af of hun kind het wel redt in een wereld waarin gesproken taal zo prominent aanwezig is. Daarom onderstreepte Anouk dat ook een gebarentaal een moedertaal kan zijn, en dat er een passende begeleiding bij slechthorende kinderen nodig is. Taal is, in haar woorden, tenslotte zoveel meer. Taal is communiceren, en dat gebeurt niet alleen met gesproken woorden.

Beppie van den Bogaerde

Beppie ging tijdens haar presentatie in op meertaligheid en doofheid/slechthorendheid. Daarbij bracht ze ook een belangrijke nuance aan over wat “meertaligheid” eigenlijk is, want een meertalig kind hoeft niet altijd twee talen te spreken, bimodale meertaligheid bestaat ook, waarin er bijvoorbeeld een gebarentaal is, en een gesproken taal.

            Vier belangrijke aspecten van het omgaan met doofheid/slechthorendheid (DSH) bij een kind zijn de mate van DSH, de duur van de DSH (is het al zo vanaf de geboorte? Of is het later ontstaan), de adviezen van professionals, en wat ouders daarmee doen. Voor ouders kan het namelijk ook weer lastig zijn om voor een communicatievorm te kiezen met een kind met DSH, misschien kunnen ze zelf niet in gebarentaal communiceren. Als ouders Nederlands, of een andere taal, met een kind met DSH spreken, gaat het kind dan ook Nederlands, of die andere taal, spreken? Hoe dan ook is een gebarentaal altijd toegankelijk voor een kind met DSH. Beppie benadrukte in haar toespraak dat het in haar optiek niet wenselijk is om een combinatie van NGT (Nederlandse Gebarentaal) en het Nederlands aan te bieden als eerste taal aan een kind met DSH. Op deze manier wordt namelijk noch de structuur van het NGT noch van het Nederlands aangeboden. Als laatste vermeldde ze dat de keuzes van ouders en professionals vanuit ideologisch, cultureel en disciplinair worden gemaakt.

Marjolein Derks-Janssen en Saskia van den Berg

Marjolein (leerkracht SO de Pyler Heerlen) en Saskia (autismespecialist en begeleider van jongeren en volwassenen met autisme), spraken in hun lezing over meertaligheid en autisme. Soms kunnen er in een gesprek met iemand met autisme misverstanden ontstaan, denk dan aan een uitspraak met een sarcastische ondertoon, die serieus wordt opgevat. Ook als het “heel talig is”, kan het moeilijk worden. Een ander aspect van autisme is dat bepaalde prikkels veel sterker kunnen binnenkomen. Denk dan bijvoorbeeld aan een zacht geluid uit een hoek van een lokaal dat als storend wordt ervaren.

            Een belangrijk punt dat beide sprekers aanhalen is dat ieder kind met autisme uniek is, en weer op een eigen manier functioneert. Het is niet zo dat autisme op iedereen hetzelfde effect heeft. Dit is dan ook het bericht dat beide sprekers willen meegeven aan de aanwezige wetenschappers: er is niet één bepaald gedrag, autisme is heel divers. Eén uniforme aanpak voor autisme is niet de oplossing. We moeten oog hebben voor het individu.

Petra Hendriks

Petra Hendriks, hoogleraar Semantiek en Cognitie aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen, sprak in haar lezing over taalbegrip bij kinderen met een Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Sommige woorden of zinnen kunnen meerdere betekenissen hebben. Denk bijvoorbeeld aan “Toen lag hij in een deuk.”, daarbij kunnen we ons iemand voorstellen die heel hard lacht, of letterlijk in een deuk van een ingedeukte auto ligt. Nog een ander voorbeeld: “Ze kamt haar pony”. Kamt ze haar dier, of haar eigen haar?

            Voor communicatie is het een vereiste dat de juiste betekenissen aan de juiste vormen worden gekoppeld. Neem bijvoorbeeld de zinnen “Hier zie je een olifant en een krokodil. De olifant slaat hem”. Kinderen met ASS maken fouten met het woord “hem” tot ca. 6 jaar en daarna ook nog incidenteel, en verwijzen ermee naar de olifant. Daarentegen weten volwassenen dat “hem” niet naar de olifant kan verwijzen omdat hiervoor het woord “zichzelf” nodig is. Een van de vragen die dan nog rest is hoe hun Duitse leeftijdsgenoten het voornaamwoord “ihn” in een soortgelijke zin wel al correct lijken te kunnen gebruiken, in andere woorden, hoe valt het verschil tussen beide talen te verklaren? En hoe zit het dan met tweetalig Nederlands-Duitse kinderen?

Amber Kuypers

Amber Kuypers is gedragsspecialiste en begeleidt leerlingen met educational needs. Ze zet kunst, en haar eigen achtergrond met kunst, in om op een niet-talige manier te communiceren met deze jongeren, zoals het samen maken van foto’s, en aan die foto’s een titel geven. Zo krijgen jongeren met bijvoorbeeld dyslexie de kans om te werken vanuit hun kracht: ze kunnen hun creativiteit inzetten om hun creatie vervolgens een passende, inventieve naam te geven. Met kunst kun je elkaar anders leren kijken. Zo werd het publiek ook verrast door ‘de andere manier van kijken’ van een van haar leerlingen. Hij had een foto’s gemaakt. Onder andere van de spitse punten van een hek, en had de foto “Huisjes van Amsterdam” genoemd, want huizen daar zijn hoog, smal, en huizen hebben een dak. De kracht van beelden zit er ook in dat beelden universeel zijn: welke achtergrond je ook hebt, waar je ook vandaan komt, met beelden kun je communiceren, met wie dan ook.

Kristien Hens

Kristien Hens, ethicus aan de Universiteit Antwerpen en KU Leuven, sprak over autisme en taal. In DSM-5 wordt er een onderscheid gemaakt tussen ASS en een sociaal-pragmatische communicatiestoornis. Enkele kenmerken van ASS zijn beelddenken, visuele intelligentie, hyperlexie en verlate verbale communicatie. Uit haar boek, Voorbij de diagnose: Ervaringen van volwassenen met autisme, toonde zij enkele passages hoe volwassenen met autisme ermee omgaan, hoe zij met die diagnose hebben ‘leren leven’ en in welke situaties het hen “confronteert”.

In haar afsluiting haalde Kristien de conclusie van Marjolein en Saskia nog eens aan, dat ‘autisme’ eigenlijk zo’n groot spectrum is, dat je het niet als heterogene groep kunt beschouwen. Men moet vanuit het kind zelf gaan kijken: wat betekent het voor een individu om autisme te hebben? Als je je niet op dezelfde manier als anderen kunt uitdrukken, ben je namelijk kwetsbaar. Daar is unieke, toegepaste en persoonlijke ondersteuning bij nodig.

Quirien van Halen

, “de dichter van de zapgeneratie”, luidde de pauze in met een gedicht, want ook al wilde het publiek “meer, meer en meer”, “de koffie stond al klaar”.

Tijdens het tweede, interactieve deel van de middag konden de aanwezigen deelnemen in een van de vijf sessies en in gesprek gaan met...

Elma Blom

De sessie van Elma Blom begon met de openingsvraag hoe je er tegenover zou staan als anderstalige ouders in hetzelfde onderwijsinstituut (bijvoorbeeld hetzelfde gebouw) ook NT2-onderwijs zouden krijgen. Daarbij ging het gesprek al snel richting de verschillen tussen eerste en tweede taalverwerving: als kind leer je namelijk sneller en natuurlijker, en de moedertaal zit dieper verankerd in de hersenen van volwassenen.

            Wie moet de taallessen geven? Geschoolde NT2-docenten of vrijwilligers met training? En wat zou de grens zijn? Momenteel wordt een groot deel van het NT2-onderwijs door vrijwilligers verzorgd. De deelnemers geven aan dat leerkrachten in de optimale situatie een Pabo-lerarenopleiding hebben voltooid met een extra aantekening voor NT2.

            Emre (zie hierboven) is ook aanwezig bij deze sessie. Wanneer hem gevraagd wordt hoe hij het zou vinden om samen met zijn moeder les te hebben, geeft hij aan dat het hem niks zou uitmaken. Daarentegen vermeldt een leider van een dagverblijf dat anderstalige ouders geen interesse zouden hebben in het leren van het Nederlands. ‘Cultuurgebondenheid’ is een ander belangrijk aspect dat aangedragen wordt. Zo zou er gestart kunnen worden met kleine conversatiegroepjes met moeders die thuis wonen. Ook moet er onderscheid tussen doelgroepen gemaakt worden. Zo is er een verschil tussen mensen die net in Nederland binnenkomen, en hier al jaren wonen. Kort samengevat: kijk naar de achtergrond van de situatie en bied een kop koffie aan.

            Wat is dan de rol van de moedertaal in de klas? Een idee is om ook in de moedertaal les te gaan geven tot aan de volwassenheid. Denk bijvoorbeeld aan een kind dat de kans krijgt om een uurtje les te geven in de eigen taal, als het dat leuk vindt. Onderzoek laat zien dat het Nederlands in het onderwijs zo dominant is, dat de moedertaal (hier: Turks) niet goed doorontwikkelt. Er is te weinig waardering voor moedertalen in de Nederland, waardoor er maatschappelijke problemen ontstaan.

            Op de vraag of kinderen kun moedertaal mogen gebruiken op school bestaan er drie visies: 1) nee, dat mag niet, 2) ja, tijdens de pauze, 3) ja, ook in de klas. In Zweden bestaat de mogelijkheid wel om in de moedertaal les te krijgen. Kinderen krijgen dan de kans om vanuit hun kracht, hun moedertaal, zich te ontwikkelen, en leren daarnaast Zweeds. De mogelijkheid voor een meertalige klas is ook afhankelijk van de leerkracht.

            Verdere gesprekspunten waren nog: wanneer er wordt gesproken over overdiagnose: is het dan erg als een leerling tijdelijk op een cluster 2-school komt als hij/zij daar een goed taalbad krijgt? Zijn er trainingen voor ouders om met TOS van hun kind om te gaan? En hoe kunnen ouders van kinderen met TOS emotioneel worden begeleid? Verder vult Elma nog aan dat er achter een andere taal vaak een ander wereldbeeld zit.

 

Tessel Boerma

In de sessie met Tessel kwamen deelnemers met verschillende achtergronden bij elkaar. Denk aan een ambulant dienstverlener, student van de lerarenopleiding Engels en een logopediste. Het onderscheiden van meertaligheid en een TOS is op een jonge leeftijd nog niet zo makkelijk. Een hulpmiddel om dit onderscheid wel te kunnen maken voor kinderen vanaf 5-6 jaar is een zogenaamde nonwoordtoets. Hiermee moet een kind namelijk zijn of haar kennis over taal toepassen, in plaats van de kennis van zijn of haar moedertaal, en dit is precies waar kinderen met TOS moeite mee hebben. Een belangrijke kanttekening hierbij is wel dat zulke tests niet universeel kunnen zijn: je moet het kind niet uit het oog verliezen met ‘genormeerde diagnoses’.

            Dankzij de aanwezigheid van twee Belgische deelneemsters kwam er al snel een interessant verschil tussen beide landen aan het licht. In hun woorden “[moet je in België] eerst genoeg falen voordat er gediagnosticeerd wordt.”, waar in Nederland zo snel als het kan een anamnese tot stand komt. Bovendien is er maar weinig informatie in België over wanneer een kind zijn of haar eerste woordje of zin uitspreekt. Ook vroegbehandeling bestaat niet in België, waar er in Nederland al observatiegroepen met periodieke metingen op jonge leeftijd zijn.

            TOS is een onzichtbare stoornis en juist dat maakt het zo moeilijk. Toch worden scholen er steeds alerter op omdat er meer kennis over wordt verspreid. Van de andere kant is er nog veel terrein te winnen. Leerkrachten weten namelijk helaas nog niet hoe ze ermee moeten omgaan. In de diagnose van TOS is er een inflatierisico. Het is belangrijk dat we daar niet in doorslaan. Als eerste plaatsten de deelnemers hierbij de vraag of overdiagnose niet beter is dan onderdiagnose en de vraag wat een diagnose met een kind doet.

            Aan het eind van de sessie ging het gesprek terug naar de verschillen tussen België en Nederland, waarbij de Belgische deelnemers vermeldden dat “[a]ls we iets over aanpak moeten weten, dan moeten we .nl intypen in plaats van .be”.

Beppie van den Bogaerde

Deze sessie begon met drie gele stickers lieten de volgende drie vragen zien:

(i)              Zijn er makkelijke tips voor een slechthorende leerkracht in een horende klas (groep 1-2)?

(ii)            Is gebarentaal in alle culturen hetzelfde? Of verschilt het per cultuur?

(iii)          Ziet u als ervaren wetenschapper in het onderzoek een verschuiving plaatsvinden. Zo ja, welke?

95 procent van dove kinderen zijn van horende ouders. Pure gebarentalen bestaan niet, vaak leren kinderen in Nederland pas op 4-jarige leeftijd Gebarentaal. Ouders kunnen best gebarentaal leren maar zowel ouders als professionals neigen toch naar gesproken taal.

Er zijn 125 tot 135 gebarentalen ontdekt maar die zijn nog niet allemaal beschreven. Gebarentaal is zeker niet voor iedere cultuur hetzelfde (zie vraag ii) omdat een gebarentaal een expressie is van een gemeenschap. Meestal ontstaan gebarentalen in die dovengemeenschappen die onderwijs krijgen omdat zij vaak intern moeten verblijven. In Nederland zijn er vijf dovenscholen waarvan drie met een internaat en daar is een specifieke gebarentaalcultuur ontstaan. In Amsterdam stond men positief tegenover gebarentaal, in Michielsgestel kreeg vooral het spreken de aandacht terwijl Groningen altijd meertalig was.

            Er zijn dus zeker andere gebaren per cultuur, er bestaan dialecten in gebarentaal, er is onderscheid tussen formele en informele gebarentaal en er is jongerengebarentaal. Een kind gebarentaald opgegroeid in Hong Kong moet zeker de Nederlandse gebarentaal leren in Nederland. Woordkeus en klanken laten het dialectverschil tussen Groningen en Amsterdam. Het Groningse gebaar voor jarig vindt plaats op de bovenarm omdat kinderen daar een koek kregen vroeger als zij jarig waren, elders wordt het gebaar voor jarig voor de buik gemaakt. Het Amsterdamse gebaar voor verhuizen is het uitdrukken van takelen.

            Maar er zijn ook iconische gebaren die meer universeel zijn. Zo’n meer universeel gebaar is het gebaar voor kat; Beppie drukt in dit gebaar lange snorharen uit. Juist die iconische gebaren lijken mensen de gedachte te geven dat er maar wat ‘met de handen gewapperd wordt’ terwijl gebaren van doven en horenden cruciaal van elkaar verschillen. De gebaren van horenden zijn gesticulaties en zijn cultuurgebonden. In Griekenland is het gebaar voor ‘komen’ in Nederland te interpreteren als ‘weggaan’. Er is wel het idee dat in het verleden gesticulaties geleid hebben tot volwaardige gebarentalen. Doven die gebarentalen verliezen na een afasie dit vermogen maar kunnen wel nog gesticuleren.

            In gebarentaal kan spreken sequentieel en simultaan uitgedrukt worden en gebarentaal is vooral veel simultaan. De gesproken zin: “Ik geef het jou” bevat vier woorden achter elkaar terwijl het een gebaar behelst. Juist het simultane versus sequentiele verschil in gebarentaal is erg lastig te leren en te ontdekken voor een buitenstaander.

            Voor het eerste levensjaar kun je nog gemakkelijk wennen aan een cochleair implantaat (CI), maar dan alsnog werkt het niet goed voor iedereen. Een CI kan het gehoor sowieso nooit helemaal vervangen. Ouders zijn er vaak op gefixeerd dat kinderen leren spreken, maar is dat wel zo gewenst? Willen we “ouders als therapeuten”? Een kind wordt dan geregeld geconfronteerd met taallessen, bijvoorbeeld correcties wanneer het iets fout zegt. Willen we dat wel? En moeten we altijd een norm hebben? Moet iedereen een gesproken taal spreken?

            Totdat kinderen een jaar of 5-6 zijn krijgen zij begeleiding met een CI al weten we niet of zij hun potentie te leren vervullen. We krijgen alleen te horen dat het goed met ze gaat. Het duurt ongeveer een jaar om te wennen aan de “nieuwe geluiden” die je hoort wanneer je 15 of 16 bent en dan een implantaat krijgt. Bovendien blijf je dan alsnog altijd slechthorend. Slechthorenden worden vaak alsnog als “horenden” gezien, wat moeite kan opleveren met het vinden van hun identiteit. Denk bijvoorbeeld aan een verbaasde juf, die vindt dat een kind heel goed spreekt, maar niet doorheeft dat het kind eigenlijk niet goed hoort. Bovendien, juist omdat je zo intensief moet luisteren wanneer je slechthorend bent, ben je ‘altijd moe’. Daarom kan het helpen om visuele cues te gebruiken om aandacht te trekken, zoals bijvoorbeeld knipperen met het licht, in plaats van te roepen. De deelnemers zijn tegen het eind van het gesprek hoe ‘horend’ zij eigenlijk zijn.

            Beppie vermeldt ook dat, als je geen toegang hebt tot een gesproken taal, het vrijwel onmogelijk is om een gesproken taal te leren. En dit ligt niet aan de leerling, maar aan onze didactiek, omdat we hiervoor nog niet de benodigde middelen hebben.

            Er is een verschuiving in het onderzoeksgebied: er is veel aandacht voor de vorm van gebaar en gesticulaties. Juist de aandacht voor gesticulatie in gesproken taal neemt de laatste tijd toe. Beppie herhaalt later in het gesprek haar kritische houding ten opzichte NMG (Nederlands met gebaren) nogmaals: tot een jaar of 5 moet je talen leren: Nederlands, Frans, Engels, NGT, en daarna kun je mengen en mixen wat je wilt. Een andere recente ontwikkeling is het onderzoek naar kinderen met een TOS, die een/twee dove ouder(s) hebben.

Petra Hendriks

Tijdens de sessie van Petra Hendriks vraagt een leraar uit SO-IV, reguliere afdeling, zich af of leerlingen goed geplaatst worden als er een combinatie ASS en TOS is. Bij dossier-analyse blijkt aanvankelijk vooral het taalprobleem op te vallen en later vooral gedragsproblemen. Deze problemen versterken elkaar en hebben veel reactieve gedragingen. Leraren SO-IV vragen zich geregeld af of leerlingen beter af waren in cluster II. Hierop komen enkele reacties van de groep. Veel info komt binnen en wordt niet gelinkt aan kennis die leerlingen hebben. Ze leren geïsoleerd. Een leerling met deze problematiek moet de link aangeleerd krijgen. Een zebrapad op de weg naar school is een heel andere context dan het zebrapad in de stad. Zij hebben moeite met toepassen van kennis in andere context. Ook hebben zij problemen in executieve functies, denk dan vooral aan het werkgeheugen, wat het probleem nog meer versterkt.

            Hoe herken je dan het verschil tussen leerlingen met autisme en leerlingen met TOS? Petra Hendriks antwoordt hier als volgt op. Bij autisme is de grammatica meestal wel goed, maar is de afstemming met de gesprekspartner lastig zoals het nemen en geven van de beurt, het aanpassen van het stemgeluid aan de omgeving, het empathisch taalgebruik en het afronden van een gesprek. Ook in figuurlijk taalgebruik als bij spreekwoorden en gezegdes nemen ze de taal letterlijk. Bij TOS is grammatica het pijnpunt, evenals het formuleren van zinnen, er zijn woordvindingsproblemen en het toepassen van taalregels. Bij zowel autisme als TOS is pragmatiek hetzelfde probleem. Een ervaringsdeskundige raadt de Fontys OSO-Reeks 20 – Navigeren in de sociale wereld, een programma voor (rand)normale begaafde personen met een autismespectrumstoornis aan.

            De volgende vraag komt van een leerkracht uit Rec III en gaat over hoe je sociale interactie tussen leerlingen onderling kunt stimuleren. Hierop antwoorden de deelnemers met de volgende suggesties. Geef bijvoorbeeld een opdracht die past bij sterke kant van leerling. Laat hem of haar een presentatie laten geven (die samen voorbereid is) en laat klasgenoten vragen formuleren. Ga ook op zoek naar het talent van de leerling, maak contact met zijn of haar eigen belevingswereld en zoek naar associaties.

            Vervolgens vraagt een vrijwilliger van de scouting hoe de kennis van professionals (scholen) bij de vrijwilligers terecht kan komen. Zij maakt vaak mee dat TOS/ASS leerlingen geadviseerd worden mee te draaien in een club zoals de scouting, maar de begeleiding van de vrijwilligers is dan onvoldoende. De groep antwoordt hierop dat een ambulant begeleider kan komen adviseren en meekijken welke problemen er zich voordoen.

            Ook vraagt een leerkracht VSO hoe ze een Engelstalige leerling met rigide aversie tegen het Nederlands kan stimuleren toch Nederlands examen te doen. Hierop antwoordden de deelnemers als volgt: Bij leerling met specifieke faalervaring in Nederlands lijkt de angst versterkt te worden als hij voelt dat we hem of haar willen overtuigen. Probeer begrip te krijgen voor de context van zijn of haar specifieke angst / faalervaringen, om van daaruit samen te zoeken naar wat deze leerling nodig heeft om open te staan voor voordelen van meertaligheid.

            Enkele losse opmerkingen die verder nog aan bod kwamen waren dat iemand met ASS niet meer moeite lijkt te hebben met meertaligheid, TOS veel voorkomt in combinatie met ADHD en dat onderwijs te zeer vak gesplitst is voor leerlingen met TOS. Hierdoor integreren ze kennis niet en daalt de leermotivatie, zoals opgemerkt door een ouder van een kind met ASS.

Kristien Hens

In deze sessie kwam met name het taalgebruik in relatie met de context aan de orde. Iemand met autisme is vaak "blind" voor de context. Diverse voorbeelden uit de praktijk van Saskia van de Berg (zie hierboven) werden genoemd en toegelicht door Kristien. In zijn algemeenheid interpreteren we teveel en te snel. “We weten niet wat de ander denkt” en daarmee werd de aandacht gevestigd op het beperken van het interpreteren. Ervaringen van kinderen moeten we serieus nemen.          
            Professionals denken teveel vanuit een fixed mindset. Er is ook sprake van misvattingen in woordkeuze en bepaald woordgebruik in verslagen. Een tip is daarom altijd een “warme” overdracht proberen te regelen. De algemene conclusie uit deze sessie is dat autisme nooit helemaal te begrijpen valt.      

Onder het genot van een drankje en goed gesprek vond vervolgens de afsluiting van deze bijzondere, informatieve en inspirerende dag plaats.

Verslag Gino Morillo Morales

image1346495360905314225.JPG

Opening door Anja van Schijndel

image3184342519476572268.JPG

Jannet Ververgaard-Fernhout en Emre Cansimsir

image1165468863468524897.JPG

Maurice van Straten en Tessel Boerma

image4763125016863562705.JPG

Anouk Middelkoop- van Erp en Christian Kortooms

image5506523446242098533.JPG

Elma Blom

image2343380582792168713.JPG

Anouk Middelkoop- van Erp

image8307180693941019113.JPG

Beppie van den Bogaerde

image5366447875829252021.JPG

Ilonka van der Sommen, Saskia van den Berg en Marjolein Derks- Janssen

image9154451102639757643.JPG

Petra Hendriks

image929366488172269770.jpg

Amber Kuypers

image2584015324146569576.JPG

Kristien Hens

image2772504786476654140.JPG

Quirien van Haelen

image8506033656754400556.JPG

Deelsessie Elma Blom

image4583633029575153467.JPG

Deelsessie Tessel Boerma

image1222012762783376198.JPG

Deelsessie Beppie van den Bogaerde

image3866768649420134789.JPG

Deelsessie Petra Hendriks

image6219113435249288930.jpg

Deelsessie Kristien Hens

image6196205562451547384.JPG

Met medewerking van:

logo%27s.JPG