Inhoudelijke beschrijving modules

Onderstaande beschrijvingen gelden voor het studiejaar 2019-2020

  • ► DOMEIN: GEDRAG
    Klik op een van de onderstaande modules om de beschrijving weer te geven
  •   Module Autisme, beeldvorming en zintuiglijke waarneming (GAUS1)

    Inhoud Module Autisme, beeldvorming en zintuiglijke waarneming (GAUS1)

    Deze module stelt je in staat om als professional te onderzoeken wat jouw beeld en visie op autisme is. Hierbij staan de volgende thema’s centraal: prikkelverwerking bij leerlingen met autisme, verschillende benaderingswijzen in het onderwijs voor leerlingen met autisme, cognitieve stijl van leerlingen met autisme, de zintuiglijke waarneming van leerlingen met autisme en neurodiversiteit als concept dat neurologische verschillen herkend en gerespecteerd moeten worden.

    Je weet ervaringsverhalen van leerlingen met autisme te evalueren en te beoordelen n.a.v. gangbare theorieën en kunt kritische afwegingen maken in je handelen vanuit het medisch en sociaal model.

    Je wordt uitgedaagd het belang van goede, brede integratieve beeldvorming rondom de leerling met autisme te herkennen en krijgt handvatten om in je eigen praktijk aan het onderwijs aan leerlingen met autisme te ontwikkelen /verbeteren.

    Het rapport van de gezondheidsraad: Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders, 2009 is de basis voor de handelingsadviezen in deze module. Dit maakt de module geschikt voor verschillende onderwijssettingen (jonge kind - MBO/HBO).

    Thema's

    • Beeldvorming bij autisme
    • Perspectiefneming en historie, hoe wordt en tegenwoordig over autisme gedacht?
    • Genetische en neurobiologische aspecten van autisme
    • Genderspecifieke factoren bij autisme en culturele aspecten
    • Educatieve benadering van leerlingen met autisme, denken vanuit mogelijkheden en ontwikkelkansen
    • Zintuiglijke waarneming en autisme, hoe verloopt dit proces, welke gevolgen heeft dat voor de betekenisverlening voor de leerling met autisme

    Wat kun je na deze module?

    Na het volgen van deze module kun je je handelen als professional aanpassen aan de onderwijs-/leerbehoeften van de leerling met autisme. Je kunt daarbij onder andere:
    • de beeldvorming op basis van de kenmerken autisme en de triade van Wing toepassen en beoordelen in je eigen praktijksituatie.
    • de invloed van waarneming op de cognitie evalueren en beoordelen.
    • de sensoriële waarneming en de specifieke moeilijkheden en mogelijkheden die daaruit voor leerlingen met autisme voort kunnen komen evalueren en beoordelen.
    • rekening houden met medische, biologische en neurologische aspecten van autisme:
    • de verschillende benaderingswijzen voor autisme die in Nederland gebruikt worden evalueren, beoordelen en kritisch toepassen in je eigen handelen.

  •   Module Educatieve strategieën en communicatie in de praktijk (GAUS2)

    Inhoud Module Educatieve strategieën en communicatie in de praktijk (GAUS2)

    Deze module stelt je in staat om op basis van integratieve beeldvorming en communicatieonderzoek inzicht te krijgen in de mogelijkheden van een leerling om op en passende wijze verduidelijking voor de leerling met autisme toe te passen t.a.v. ruimte, tijd en activiteiten. Je ontwikkelt en hanteert visuele educatieve strategieën die je evalueert teneinde de communicatie bij leerlingen met autisme te bevorderen. Je past deze inzichten in verschillende contexten (even noemen) toe en evalueert ook je eigen communicatieve handelen.  Je verkent de kenmerkende manier van denken die zich manifesteert in andere kwaliteiten op het gebied van Centrale coherentie, Theory of mind en Executieve functies.

    Thema's

    • Psychologische verklaringsmodellen voor autisme: Theorie of mind, Centrale coherentie en executieve functies.
    • Aanpassen van de omgeving voor de leerling met autisme waarbij we tijd, ruimte en activiteit nader bekijkt en het onderwijs voor deze leerling praktisch gaat uitvoeren.
    • Communicatie in beeld brengen voor leerlingen met autisme.
    • Het multi-dimensionele model van communicatie: niveaus van betekenisverlening (sensatie, presentatie, representatie en meta-representatie niveau),
    • Dimensies van communicatie: Functie, vorm en stijl herkennen en leerdoelen opstellen waarbij je de beeldvorming verder uitbreidt.
    • Moeilijk gedrag en communicatie van leerlingen met autisme herkennen en ermee leren omgaan.

    Wat kun je na deze module?

    Aan het eind van deze module kun je:
    • een leer- werkomgeving ontwerpen, die is aangepast aan de competenties én de specifieke kenmerken en afgestemd op de behoefte van de individuele leerling/ student met autisme;
    • afstemmen in de onderwijssituatie op basis van de cognitieve stijl van de leerling met autisme;
    • aanpassingen van tijd, ruimte en activiteit ontwerpen en implementeren en evalueren op basis van het sensorisch profiel, kenmerken autisme en de cognitieve stijl;
    • je handelen afstemmen op de ondersteuningsbehoeften m.b.t. de communicatie op de leerlingen met autisme in je school op basis van het informeel onderzoek naar de communicatie;
    • een informeel communicatie onderzoek uitvoeren en de resultaten interpreteren en op basis hiervan handelingsgericht de communicatie van leerlingen met autisme stimuleren.

  •   Module Participatie binnen de verschillende levensdomeinen (GAUS3)

    Inhoud Module Participatie binnen de verschillende levensdomeinen (GAUS3)

    In deze module werk je planmatig en cyclisch aan onder meer: de sociale ontwikkeling, participatie en zelfstandigheid van leerlingen met autisme, waarin matschappelijke redzaamheid centraal staat. Je vertaalt de beeldvorming en ontwikkelbehoeftes van een leerling naar verschillende levensgebieden en komt tot concreet handelen in samenspraak met de leerling met autisme. Je leert enkele basisprincipes vanuit Structured Teaching in te zetten, waarin verschillende gevisualiseerde stappenplannen uitgewerkt worden. Je onderzoekt sociale situaties en kijkt kritisch naar het risico van onder- en overvragen met het doel een autismevriendelijke leeromgeving te creëren.

    Thema's

    • Leren, leven en werken met autisme, welke werkvaardigheden en werk-gedrag is nodig, wat is een taakanalyse en hoe kom je van taakanalyse naar een stappenplan?
    • Sociaal gedrag in de klas en op het werk (stage)
    • Sociaal gedrag en vrije tijd, hoe deel je vrije tijd in? (informeel onderzoek naar vrijetijdsvaardigheden)
    • Sociaal gedrag en begeleiding bij transities
    • Zelfredzaamheid en maatschappelijke redzaamheid

    Wat kun je na deze module?

    • Je handelen als professional aanpassen aan de behoeften en de mogelijkheden van de leerling/ student met autisme over een van de verschillende aan de orde gekomen levensgebieden.
    • Een taakanalyse uitvoeren, evalueren en beoordelen en op basis hiervan onderzoek doen bij je leerlingen en een planmatige interventie plannen, uitvoeren en evalueren.

  •   Module Gespreksvoering bij de ondersteuning van zelfmanagement (GAUS4)

    Inhoud Module Gespreksvoering bij de ondersteuning van zelfmanagement (GAUS4)

    In deze module ligt de focus op de onderwijsprofessional en hoe deze zijn vaardigheden inzet vanuit een herstelondersteunende visie, waarin begrippen als empowerment, participatie, de ervaringsdeskundige, eigenaarschap, zelfregulatie en zelfbeeldontwikkeling centraal staan.  Je leert om met gevisualiseerde hulpmiddelen vanuit verschillende benaderingen met name: cognitieve gedragstherapie, oplossingsgerichte benadering en socratische wijze gesprekken te voeren met leerlingen met autisme.

    Je maakt in de module kennis met verschillende aanpakken voor psycho-educatie en evalueert en beoordeelt je gespreksvoering met de leerling met autisme door zelfonderzoek te doen middels beeldinbreng van gespreksituaties, die geanalyseerd worden. Tevens zal in deze module de inhouden de hele autisme-module-lijn worden samengepakt.

    Thema's

    • Psycho-educatie bij autisme
    • Herstelondersteunende benadering als onderliggende benadering bij zelfinzicht, zelfmanagement, zelfregulatie
    • Gespreksvoering met leerlingen met autisme
    • Zelfonderzoek van de professional in gesprek met de leerling met autisme
    • Oplossingsgerichte gespreksvoering met de leerling met autisme
    • Micro- analyse: leren inzoomen op details

    Wat kun je na deze module?

    Na het volgen van deze module kun je:
    • je gesprekken met leerlingen met autisme zodanig aanpassen dat je rekening houdt met de specifieke ondersteuningsbehoeften;
    • het belang van gevisualiseerde hulpmiddelen bij gespreksvoering als ABC-analyse, 5-G’s, mind mapping onderschrijven, deze uitvoeren en toepassen in je eigen context;
    • je handelen als professional binnen gespreksvoering aanpassen aan de behoeften en de mogelijkheden van de leerling met autisme.

  •   Module Sociaal emotioneel leren: basisondersteuning gedrag (GSEL1)

    Inhoud Module Sociaal emotioneel leren: basisondersteuning gedrag (GSEL1)

    De kern van de module GSEL1 is gericht op de basisondersteuning gedrag; het afgesproken geheel van preventieve- en licht curatieve gedragsinterventies die binnen de onderwijsondersteuningsstructuur van de school op planmatige wijze en op overeengekomen kwaliteitsniveau, eventueel in samenhang met ketenpartners worden uitgevoerd.

    In deze module verkennen we waarom en hoe er binnen het onderwijs vorm wordt gegeven aan de basisondersteuning gedrag en het sociaal-emotioneel leren (SEL). Op basis van jouw kennis over verschillende visies/ theorieën, op het vormgeven van de basisondersteuning gedrag inventariseer je deze in jouw onderwijspraktijk. Je maakt een kritische analyse van je onderwijssituatie en doet aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de basisondersteuning in je eigen praktijk. Je levert een originele bijdrage aan het implementatieproces van basisondersteuning in je klas, school of onderwijssetting.

    Bij de analyse van complexe onderwijssituaties breng je de afzonderlijke kennisdomeinen van leren en gedrag in onderlinge samenhang, waardoor je SEL in relatie brengt tot het cognitief leren.

    De module GSEL1 is toegankelijk voor studenten die werkzaam zijn in het PO, SO, VO, VSO en MBO en die de basisondersteuning binnen de eigen onderwijssetting willen analyseren en verder ontwikkelen.

    Thema's

    • Onderwijsondersteuningsstructuur Gedrag.
    • Inhouden op de drie afstemmingsniveaus; waarbij het accent ligt op de basisondersteuning Gedrag.
    • Relatie tussen sociaal-emotioneel leren en cognitief leren.
    • De rol van de onderwijsprofessional in de basisondersteuning Gedrag.
    • Datagestuurd werken

    Wat kun je na deze module?

    • Je hebt een kritisch begrip van de basisondersteuning Gedrag.
    • Je doet vanuit een onderzoeksmatige aanpak aanbevelingen voor verdere ontwikkeling in de school of de klas.

  •   Module Sociaal emotioneel leren: afstemmen op de groep (GSEL2)

    inhoud Module Sociaal emotioneel leren: afstemmen op de groep (GSEL2)

    In deze module staat de vraag centraal hoe je kan afstemmen op de sociaal-emotionele onderwijsbehoeften van leerlingen op groepsniveau (eerste niveau van afstemming) en hoe daarbij wordt samengewerkt met verschillende betrokkenen. Deze vraag kan vanuit verschillende perspectieven beantwoord worden, zoals bijvoorbeeld die van leerkracht, (intern) begeleider, docent, mentor of ondersteuner (zorgcoördinator). Om bovengenoemde vraag te beantwoorden verdiep je je in het model adaptief onderwijs, de algemeen psychologische basisbehoeften, motivatie, groepsvorming, groepsprocessen, het pedagogisch klimaat en diverse methoden en materialen ter bevordering van het stimuleren van de sociaal-emotionele competentieontwikkeling en het voorkomen en omgaan met (digitaal) pesten. Daarbij word je voortdurend uitgedaagd om de relatie met je eigen onderwijspraktijk te leggen en hier kritisch op te reflecteren.

    Vervolgens wordt met name aandacht besteed aan de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het primaire preventieniveau of het eerste niveau van afstemming. Hiertoe verdiep je je in het model adaptief onderwijs, groepsvormingsprocessen, het pedagogisch klimaat en diverse methoden en materialen ter bevordering van het stimuleren van de sociaal-emotionele competentieontwikkeling. Daarnaast komt in deze module het onderwerp pesten aan bod. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de wijze waarop ouders betrokken kunnen worden bij de sociaal-emotionele competentieontwikkeling op het primaire preventieniveau of eerste niveau van afstemming. De ultieme leeruitkomst van deze module is dat je op basis van alle behandelde theorie in combinatie met de vertaling ervan naar jouw praktijksituatie, in staat bent een groepsplan gedrag op te stellen voor het primaire preventieniveau of eerste niveau van afstemming en hier kritisch op kan reflecteren.

    Thema's

    • Pedagogisch klimaat, groepsvorming, groepsprocessen
    • Samenwerken met diverse betrokkenen op het eerste niveau van afstemming
    • Middelen en materialen ter bevordering van de sociaal-emotionele competentieontwikkeling
    • (Digitaal) pesten, pestprotocol en middelen en materialen voor het voorkomen van en omgaan met (digitaal) pesten

    Wat kun je na deze module?

    In deze module maak je een kritische analyse van de wijze waarop er binnen jouw onderwijspraktijk afgestemd wordt op de sociaal-emotionele competentieontwikkeling op groepsniveau en hoe er wordt omgegaan met (digitaal) pesten. Tevens ga je na hoe hierbij samengewerkt wordt met verschillende betrokkenen. Op basis van deze analyses kan je komen tot interventies/aanbevelingen ter verbetering van jouw onderwijspraktijk.

  •   Module Sociaal emotioneel leren: specifieke afstemming (GSEL3)

    Inhoud Module Sociaal emotioneel leren: specifieke afstemming (GSEL3)

    In deze module maak je (hernieuwde) kennis met effectief bewezen interventietechnieken op het gebied van gedragsbeïnvloeding/-verandering die je kunt inzetten bij de afstemming op de onderwijsbehoeftes van kinderen en jeugdigen met (ernstige) sociaal emotionele- en gedragsproblematiek die vragen om een intensieve begeleiding. Er wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de Toegepaste Gedragstheorie (Aplied behavior analyses) en er wordt ingegaan op cognitieve interventies als meditatie (mindfulness) en het richten van aandacht, zelfinstructietraining, probleemoplossend denken, zelfcontrole en exposure. Uitgebreid wordt in gegaan op cognitieve uitdaging en herstructurering (o.a. Rationeel Emotieve Therapie). Toepassingen hiervan komen aan de orde tijdens de behandeling van de thema’s Executieve functies en het omgaan (coping) met stress bij kinderen en jeugdigen. Tijdens de bijeenkomsten wordt gewezen op en gewerkt met actuele (digitale) bronnen.

    Thema's

    • Toegepaste gedragstheorie
    • Interventies uit de cognitieve gedragstherapie ( waaronder RET)
    • In kaart brengen en werken aan executieve functies waarbij toepassing van de tijdens deze module behandelde interventietechnieken aan de orde is.
    • Behandeling van Stress bij kinderen en jeugdigen en toepassing van de in deze module behandelde interventies bij omgaan met stress (aanpak en preventie)

    Wat kun je na deze module?

    Je kiest op basis van een kritische analyse van de onderwijsbehoeften van de leerling uit interventietechnieken die gebaseerd zijn op de toegepaste gedragstheorie en/of de cognitieve gedragstherapie.
    Je ontwerpt op basis van je keuze een aanpak voor een passende en op de leerling afgestemde ondersteuning bij sociale en emotionele gedragsproblematiek op de verschillende niveaus van afstemming.
    Je analyseert de inzet van de toegepaste gedragstheorie en de cognitieve gedragstherapie bij het afstemmen op de onderwijsbehoeften van de leerling op het gebied van executieve functies en omgaan met stress.
    Je kunt zelfstandig bronnen zoeken en raadplegen rondom de interventietechnieken: inhoudelijke sites, literatuur
    Je bent bekend met de interventietechnieken binnen de eigen organisatie en je kunt nieuwe mogelijkheden introduceren.

  •   Module Handelen in complexe onderwijssituaties met betrekking tot externaliserend gedrag (GSEL4)

    Inhoud Module Handelen in complexe onderwijssituaties met betrekking tot externaliserend gedrag (GSEL4)

    Bij sommige kinderen en jongeren kunnen er problemen ontstaan in hun sociaal – emotionele - en cognitieve ontwikkeling. Dit kan het gevolg zijn van aangeboren factoren en/of van risicofactoren in de ecologie van de leerling. In het ernstigste geval kan de ontwikkeling zo verstoord raken dat er sprake is van psychopathologie. In deze module maak je kennis met externaliserende problematiek. Bij deze externaliserende gedragsproblematiek (naar buiten gericht) is het vooral voor de omgeving moeilijk af te stemmen op het gedrag. Voor het kind/de jeugdige zelf is er sprake van een ernstige bedreiging van de sociaal-emotionele ontwikkeling.

    Thema's

    • Aandachttekortstoornis / hyperactiviteit / impulsiviteit (AD(H)D)
    • Problematische hechting
    • Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen
    • Ticstoornissen

    Wat kun je na deze module?

    • Je bent in staat om de symptomen van de behandelde externaliserende stoornissen (hechtingsstoornissen, AD(H)D, gedragsstoornissen (oppositionele opstandige stoornis en normoverschrijdend-gedragsstoornis) en Ticstoornissen (waaronder de stoornis van Gilles de la Tourette) te herkennen en de mate van ernst van de problematiek in te schatten. Op basis daarvan kan je, in samenwerking met ouders en overige betrokkenen, komen tot een aanpak in de klas met eventuele inzet van externe betrokkenen.
    • Je bent in staat om op planmatige wijze elementen uit interventies die in algemene zin worden ingezet bij externaliserende stoornissen, toe te passen in de eigen praktijk waarbij uitgegaan wordt van afstemming op de specifieke onderwijsbehoeften van de leerling op de verschillende niveaus van afstemming.
    • Je kunt zelfstandig betrouwbare bronnen zoeken en raadplegen rondom de thema’s: professionele richtlijnen, inhoudelijke sites, literatuur, e-health-sites,
    • Je kunt je in leven in een persoon met een bepaalde stoornis en de consequenties voor de omgeving (ecologie)
    • Je kent de interne routing voor signalering verwijzing binnen de eigen organisatie is en verkent de mogelijkheden die voor de eigen praktijk nog nieuw zijn.

  •   Module Handelen in complexe onderwijssituaties met betrekking tot internaliserend gedrag (GSEL5)

    Inhoud Module Handelen in complexe onderwijssituaties met betrekking tot internaliserend gedrag (GSEL5)

    Bij sommige kinderen en jongeren kunnen er problemen ontstaan in hun sociaal – emotionele - en cognitieve ontwikkeling. Dit kan het gevolg zijn van aangeboren factoren en/of van risicofactoren in de omgeving (de ecologie) van het kind/de jongere. In het ernstigste geval kan de ontwikkeling zo verstoord raken dat er sprake is van psychopathologische ontwikkeling. In deze module maak je kennis met internaliserende problematiek. Bij deze internaliserende gedragsproblematiek (naar binnen gericht) ondervindt vooral het kind/de jongere zelf ‘last’ van het gedrag. Er kan zelfs sprake zijn van een ernstige bedreiging voor de sociaal-emotionele ontwikkeling.

    Thema's

    • Angststoornissen
    • Stemmingsstoornissen (depressie en bipolaire stoornis)
    • KOPP (Kinderen van ouders met een psychiatrische problematiek en/of een verslavingsproblematiek: risico’s en ondersteuning)
    • Voedings- en eetstoornissen (waaronder anorexia nervosa, boulimia nervosa, eetbuistoornis).

    Wat kun je na deze module?

    • Je bent in staat om de symptomen van de behandelde internaliserende stoornissen (angststoornissen, stemmingsstoornissen (depressie en bipolaire stoornis) en voedings- en eetstoornissen.) te herkennen en de mate van ernst van de problematiek in te schatten. Op basis daarvan kun je, in samenwerking met ouders en overige betrokkenen, komen tot een aanpak in de klas met eventuele inzet van externe betrokkenen.
    • Je bent in staat om op planmatige wijze elementen uit interventies die in algemene zin worden ingezet bij internaliserende stoornissen, toe te passen in de eigen praktijk waarbij uitgegaan wordt van afstemming op de specifieke onderwijsbehoeften van de leerling op de verschillende niveaus van afstemming.
    • Je bent in staat om de sociaal-emotionele ontwikkelingsrisico’s van kinderen van ouders met een psychiatrische en/of verslavingsproblematiek (KOPP/KVO) in te schatten. Op basis hiervan kun je, in samenwerking met ouders en overige betrokkenen, komen tot een aanpak in de klas met eventuele inzet van externe betrokkenen.
    • Je kunt zelfstandig bronnen zoeken en raadplegen rondom de thema’s: inhoudelijke sites, literatuur, e-health-sites,
    • Je kunt je inleven in een persoon met een bepaalde stoornis en de consequenties voor de omgeving
    • Je kent de interne routing voor signalering verwijzing binnen de eigen organisatie is en verkent de mogelijkheden die voor de eigen praktijk nog nieuw zijn.

  •   Module Creativiteit en spel als middel om cognitief en sociaal leren te stimuleren (GDRM1A)

    Inhoud Module Creativiteit en spel als middel om cognitief en sociaal leren te stimuleren (GDRM1A)

    Deze module stelt je in staat te onderzoeken hoe drama en expressie als orthopedagogisch middel in jouw werkpraktijk kan worden ingezet. De inzet van creativiteit in het onderwijs is een actuele uitdaging op zowel leerling -, leerkracht- als schoolniveau. De module sluit aan bij en vormt een verdieping op de modules oplossingsgerichte begeleiding en op de modules gedrag. Ook worden linken gelegd met het domein leren. In vier bijeenkomsten maak je zowel theoretisch als praktisch kennis met diverse vormen van expressie. Naast bestudering van literatuur onderzoek je welke bronnen voor jou toepasbaar zijn om drama en expressie gericht in te zetten bij specifieke doelen binnen jouw werkcontext. In vier bijeenkomsten oefen en experimenteer je met verschillende interventies en mogelijkheden in relatie tot je eigen werkpraktijk en leervragen. In de interactieve en levendige bijeenkomsten ervaar je de kracht van drama/expressie als orthopedagogisch middel voor de ontwikkeling van sociale, emotionele en cognitieve vaardigheden en persoonlijkheidsgroei van leerlingen en groepen. Rekening houden met en inspelen op diversiteit is daarbij uitgangspunt. Mede door onderlinge uitwisseling reflecteer je op het effect van interventies en word je uitgedaagd tot het creëren van nieuwe werkvormen en mogelijkheden. We verwachten een open leerhouding en een actieve inbreng van cases uit je eigen werksituatie. Je experimenteert met de in de bijeenkomst behandelde mogelijkheden in je eigen (les)praktijk en maakt daarvan beelden (foto of film), die als werkmateriaal voor de bijeenkomsten dienen. Bij het inbrengen van jouw casus deel en onderbouw je je keuzes met betrekking tot jouw experiment in de praktijk. Vanuit een theoretisch kader onderzoek je en reflecteer je op de mogelijkheden van je eigen rol als professional met betrekking tot een effectieve inzet van drama en expressie Je ontwerpt een lessenserie of expressieprogramma voor een groep of een specifieke leerling ter bevordering van een vooraf bepaald ontwikkelpunt.

    Thema's

    • Visie op spelen en leren
    • Oplossingsgericht denken en het gebruik van drama/expressie als middel.
    • De ontwikkeling van het taakgedrag ( cognitieve vaardigheden/executieve functies) en de
    mogelijkheden van expressie als instrument (in de dagelijkse lespraktijk).
    • Taalontwikkeling en Drama als middel.
    • Taxonomie van Bloom en meervoudige intelligentie.
    • De ontwikkeling van cognitieve, emotionele en sociale vaardigheden en de mogelijkheden van expressie als instrument .
    • De betekenis van creativiteit voor leerprocessen van leerlingen, teams en groepen.

    Wat kun je na deze module?

    Na deze module kun je, vanuit een onderbouwde visie, verschillende interventies (drama, muziek, beeldend) inzetten om sociale, emotionele en cognitieve vaardigheden te ondersteunen en/of te verbeteren. Je kunt creatieve werkvormen inzetten als middel bij taalverwerving. Bovendien ben je in staat om een creatieve sessie (vanuit verschillende rollen) te faciliteren.
    Je kunt kennis vanuit de verschillende thema’s toepassen in een complexe (onderwijs)situatie en ook kun je jouw inzichten constructief delen met relevante partners.
    Je kunt opgedane kennis en inzichten integreren en verbinden aan jouw visie op inclusie en diversiteit. Deze visie kun je op constructieve wijze delen met relevante partners.

  •   Module Creativiteit en spel als middel voor schoolontwikkeling (GDRM2)

    Inhoud Module Creativiteit en spel als middel voor schoolontwikkeling (GDRM2)

    Deze module stelt je in staat te onderzoeken hoe expressie en creativiteit in jouw onderwijspraktijk kan worden ingezet op de drie niveaus van afstemming. Het gaat daarbij steeds om werkvormen (zoals beeldend vormgeven, muziek, nieuwe media) om stil te staan bij gevoelens, gedachten en gedrag en als middel om diversiteit te waarderen.

    Thema

    Expressie en creativiteit als middel om de basisondersteuning Gedrag vorm te geven

    Wat kun je na deze module?

    • Je bent in staat om met creatieve middelen basisondersteuning te creëren, gericht op veiligheid, plezier en welbevinden in de klas en/of op school.
    • Je kunt de veranderingen die door de inzet van creatieve middelen gerealiseerd worden, onderzoeksmatig volgen en daarmee een originele bijdrage leveren aan het beleid op het gebied van diversiteit in gedrag.

  •   Module Spelen en omgaan met vrije tijd (GJKD2)

    Inhoud Module Spelen en omgaan met vrije tijd (GJKD2)

    Jonge kinderen staan spelend in de wereld. Op die manier maken zij zich die wereld eigen en krijgen ze er grip op. Spelen is de motor van ontwikkeling. Wanneer kinderen niet spelen maken we ons zorgen. Het is dan ook van groot belang dat de professional die deze jonge kinderen begeleidt, inzicht heeft in dit fenomeen en doordrongen is van de essentiële rol die spelen heeft in de ontwikkeling van het kind. Want er zijn kinderen die niet goed spelen, of die zelfs niet tot spelen komen. Deze jonge kinderen met specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften hebben de professional nodig om de stap naar de ‘speelwereld’ te maken om zich daarmee verder te kunnen ontwikkelen.

    Maar wanneer spreken we van ‘spelen’? In welke vormen en gradaties komt het voor? Wat heeft een kind nodig om tot spelen te komen? Hoe kan het spel geobserveerd worden? Dat zijn enkele vragen die in deze module aan de orde komen.

    Deze module is niet alleen interessant voor professionals die werken met jonge kinderen. Veel oudere leerlingen in het speciaal onderwijs zijn gebaat bij een leraar die kennis van zaken heeft op het gebied van spelontwikkeling en de voorwaarden waaronder goed spel of een goede vrijetijdsbesteding tot stand kan komen.

    Deze module sluit aan bij inhouden van de digitale leeromgeving Visie in ontwikkeling.

    Thema's

    • Kenmerken van spelen
    • Ontwikkeling van het spelen in relatie tot de totale ontwikkeling van het kind
    • Spelcategorieën
    • ‘Speelwereld’ en ‘niet-speelwereld’
    • Observatiemogelijkheden van spel
    • Basisvoorwaarden spel en vrijetijdsbesteding; inrichting ruimten binnen en buiten
    • Buitenspelen

    Wat kun je na deze module?

    Na deze module:
    • ben je in staat om diverse speelomgevingen / ruimten voor vrijetijdsbesteding zowel binnen als buiten zodanig in te richten, dat kinderen/leerlingen met specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften in hun (spel)ontwikkeling / vrijetijdsbesteding worden gestimuleerd;
    • kun je het spel- en vrijetijdsgedrag gericht observeren en analyseren, waardoor een gepaste begeleiding van het spel / de vrijetijdsbesteding met het oog op het stimuleren van de (spel)ontwikkeling mogelijk is;
    • ben je in staat om op basis op basis van jouw onderbouwde visie op ontwikkeling en leren van het jonge kind en jouw onderbouwde opvatting over het belang van spelen en vrijetijdbesteding op organisatieniveau de dialoog met je collega’s aan te gaan en lever je een bijdrage aan beleidsontwikkeling waarbij spel en spelen het uitgangspunt zijn.

  •   Module Gesprekken met jonge kinderen (GJKD3)

    Inhoud Module Gesprekken met jonge kinderen (GJKD3)

    In deze module gaat het om gesprekken als ontwikkelingsbevorderend middel binnen het educatie- of onderwijsaanbod aan jonge kinderen met specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften of oudere leerlingen die op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneren.

    Gesprekken voer je de hele dag in informele en meer formele situaties. Voor jonge kinderen met specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften en oudere leerlingen die op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneren is het echter niet altijd gemakkelijk zich verbaal te uiten. Zij hebben een professional nodig die

    • een houding heeft ontwikkeld waardoor kinderen gestimuleerd worden te praten en
    • gebruik kan maken van gesprekstechnieken en –vaardigheden.

    Daardoor wordt de kans groter dat jij kunt achterhalen wat het kind bezighoudt en kun je een betekenisvolle afstemming mogelijk maken.

    Bovendien is het voeren van gesprekken een hulpmiddel bij uitstek om het kind binnen activiteiten sociale ondersteuning te bieden, waardoor zichtbaar wordt wat het kind méér kan: ook wel de zone van naaste ontwikkeling genoemd (Vygotsky).

    Deze module is niet alleen interessant voor professionals die werken met jonge kinderen. Veel oudere leerlingen in het speciaal onderwijs zijn gebaat bij een leraar die kennis van zaken heeft op het gebied van communicatie en het voeren van goede gesprekken.

    Deze module sluit aan bij inhouden van de digitale leeromgeving Visie in ontwikkeling en op de module GJKD2.

    Thema's

    • Communicatievaardigheden en ‘basiscommunicatie’
    • De Ervaringsgerichte Dialoog
    • Ontwikkelingsgerichte gesprekken
    • Dialogische gesprekken
    • De Denkstimulerende Gespreksmethodiek (DGM)
    • Gesprekken voeren vanuit een oplossingsgerichte houding

    Wat kun je na deze module?

    Na deze module:
    • kun je aan de hand van ‘basiscommunicatie’, jouw communicatie en soorten gesprekken en de wijze waarop je deze in je klas voert, analyseren op de mate waarin deze ontwikkelingsbevorderend zijn;
    • kun je jouw communicatie afstemmen op de specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften van jonge kinderen of oudere leerlingen die op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneren;
    • voer je op basis van jouw onderbouwde visie op ontwikkeling en leren van het jonge kind en jouw onderbouwde opvatting over de kwaliteit van de communicatie en gespreksvoering met jonge kinderen met specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften of met oudere leerlingen die op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneren, op organisatieniveau de dialoog met je collega’s hierover en lever je een bijdrage aan beleidsontwikkeling.

  •   Module Begeleiden van spelen en vrije tijd (GJKD4)

    Inhoud Module Begeleiden van spelen en vrije tijd (GJKD4)

    Spelen is de motor van ontwikkeling. Wanneer jonge kinderen niet tot spelen komen, is het aan ons om hen te helpen spelen en te leren spelen (naar Janssen-Vos, 2004).

    Want, zo zegt Van Amelsvoort in Spelend ontwikkelen: ‘Een kind speelt niet om zich te ontwikkelen, maar ontwikkelt zich door te spelen’ (Van Amelsvoort et al., 2005). En daarmee is het belang van een goede spelbegeleiding duidelijk geworden: we geven het kind en de leerling daardoor een ‘geëigend’ instrument om zelf (weer) actief de wereld te kunnen ontdekken en zich daardoor te kunnen voorbereiden op zijn of haar toekomst.

    In deze module ligt het accent op de begeleidingsvaardigheden van jou als professional. De activiteiten tijdens de bijeenkomsten zijn expliciet gericht op het vergroten van jouw vaardigheden. Door middel van rollenspel leer je de technieken kennen en toepassen en we analyseren filmbeelden van spelbegeleiding die jij in je eigen werksituatie opneemt om die kennis te verdiepen.

    Door het eigen maken van de verschillende begeleidingstechnieken, vergroot je je handelingsrepertoire. Je zult ervaren dat je met eenvoudige technieken veel resultaat bereikt en dat zowel het kind of de leerling als jijzelf met meer plezier spelen. En dat leidt tot ontwikkeling!

    Deze module is niet alleen interessant voor professionals die werken met jonge kinderen. Veel oudere leerlingen in het speciaal onderwijs zijn gebaat bij een leraar die in het kader van bijvoorbeeld vrijetijdsbesteding kennis van zaken heeft op het gebied van spelbegeleiding.

    Deze module sluit aan bij de digitale leeromgeving Visie in ontwikkeling en bij de modules GJKD2 Spelen en omgaan met vrije tijd en GJKD3 Gesprekken met jonge kinderen.

    Thema's

    • Bepalen van de beginsituatie (van jou als spelbegeleider, de leeromgeving én het kind/de leerling)
    • Organisatie speluur / speelwerktijd / pauzes
    • Begeleidingsstijl
    • Het voorbereide spel
    • Het aansluitende spel
    • Het begeleide spel
    • De vertelspeltafel

    Wat kun je na deze module?

    Na deze module:
    • kun je de spelbegeleidingstechnieken afstemmen op de specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften van jonge kinderen, of op die van het oudere kind met een jongere ontwikkelingsleeftijd in het kader van vrijetijdsbesteding;
    • heb je een onderbouwde opvatting over de noodzaak van de begeleiding van het spelen en vrijetijdsbesteding voor je doelgroep;
    • formuleer je op basis van jouw onderbouwde opvatting op ontwikkeling en leren van het jonge kind in dialoog met je collega’s speladviezen en op organisatieniveau lever je een bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van de spelbegeleiding en/of begeleiding van de vrijetijdsbesteding.

  •   Module Afstemmen met ontwikkelingsmaterialen (GJKD5A)

    Inhoud Module Afstemmen met ontwikkelingsmaterialen (GJKD5A)

    De verschillende materialen en de inrichting van je leeromgeving zijn je instrumenten om het leren van het jonge kind te stimuleren. In die inrichting treft het kind de materialen aan die hem uitnodigen aan de slag te gaan. Deze nemen we in deze module onder de loep met het oog op de ontwikkeling van jonge kinderen met specifieke begeleidings- en onderwijsbehoeften.

    Want wat doe je als jonge kinderen niet uit zichzelf aan de slag gaan met al dat materiaal dat uitnodigend klaar staat? Of wanneer zij er ‘onbegrensd’ mee werken en het handelen leidt tot chaos? Of als het maar niet lukt hen te motiveren?

    Dat vereist van jou als professional naast inzicht in de ontwikkeling en het begeleiden van het spelen (GJKD2 en GJKD4) en zicht op gespreksmogelijkheden met het kind (GJKD3), ook inzicht in de ontwikkeling van het leren, in de mogelijkheden van de verschillende materialen en creativiteit en fantasie om deze af te stemmen op de talenten, belangstelling en behoeften van het kind. In deze module onderzoek je die mogelijkheden en leer je materialen onderbouwd aan te passen.

    Het accent ligt in deze module op de didactische kant van jouw begeleidings-vaardigheden.

    Deze module is niet alleen interessant voor professionals die werken met jonge kinderen. Veel oudere leerlingen in het speciaal onderwijs zijn gebaat bij een leraar die kennis van zaken heeft op het gebied van ontwikkelingsmaterialen.

    Deze module sluit aan bij inhouden van de digitale leeromgeving Visie in ontwikkeling en de modules GJKD2, 3 en 4.

    Thema's

    • Leertheorieën
    • Taxonomie van Bloom
    • Bloemmodel afstemming speelbehoeften
    • De Leuvense Betrokkenheid Schaal (LBS)
    • Ongevormde materialen
    • Loose parts (ofwel ‘open eind materiaal)
    • Bouwmaterialen
    Historische pedagogiek: Pestalozzi, Fröbel, e.a.
    • Constructiematerialen
    • Compositiematerialen
    • Speelleermaterialen

    Wat kun je na deze module?

    Na deze module:
    • kun je een uitnodigende speelleeromgeving / ruimte voor vrijetijdsbesteding creëren, waarbij je gebruik maakt van alle materiaalgroepen, waardoor kinderen/leerlingen met specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften in hun ontwikkeling gestimuleerd worden;
    • ben je in staat om systematisch, op basis van een theoretische onderbouwing, verschillende (activiteiten met) ontwikkelingsmaterialen af te stemmen op de specifieke begeleidings- speel- en onderwijsbehoeften van jonge kinderen of leerlingen met een jongere ontwikkelingsleeftijd;
    • ga je op basis van jouw onderbouwde visie op ontwikkeling en leren van het jonge kind en je onderbouwde materialenkennis, de dialoog met je collega’s hierover aan en op organisatieniveau lever je een bijdrage aan de verbetering van het afgestemd werken met ontwikkelingsmaterialen.

  • ► DOMEIN: LEREN
    Klik op een van de onderstaande modules om de beschrijving weer te geven
  •   Module Taalgericht onderwijs: visie en beleid (LTAO1)

    Inhoud Module Taalgericht onderwijs: visie en beleid (LTAO1)

    Deze module gaat in op het belang van taalbeleid binnen de school. Taal is de sleutel tot schoolsucces, taalvaardigheid is cruciaal. Het mag geen struikelblok zijn, maar kan juist een springplank worden voor de leerling of student. Gevraagd wordt kritisch te kijken naar het taalbeleid van de school. Je onderzoekt in samenspraak met medestudenten en docenten hoe jouw organisatie taalontwikkeling en taalsteun in het curriculum geformuleerd heeft. Welke zaken vallen op, wat gaat goed en wat kan beter? Op basis van onderlinge uitwisseling reflecteer je op taalbeleid binnen de eigen onderwijscontext. Vooral bronnen analyseren en in overleg met betrokkenen oplossingsrichtingen formuleren, uitvoeren, evalueren en bijstellen. De module vraagt om een onderzoekende en mogelijk zelfs een change agent rol binnen de schoolorganisatie. Je maakt een keuze voor micro-, meso- of macroniveau, formuleert SMARTI een doel en verbindt acties daaraan. Je onderbouwt je beleidsadvies met behulp van theorie en de gekozen artikelen en het mini-onderzoekje scan/toezichtskader en schoolplan.

    Thema's

    • Taalbeleid op macro-, meso-, microniveau
    • Taal en identiteit, meertaligheid, schooltaal-thuistaal
    • Taalontwikkeling in het schoolplan
    • Samenhang en afstemming met andere vak- en vormingsgebieden
    • Op basis van kerndoelen en referentieniveau passende perspectieven formuleren en ontwikkelen

    Wat kun je na deze module?

    • Je hebt zicht op de rol van taal in je school en kunt adviezen voor taalbeleid geven
    • Je hebt verdiepte kennis en inzicht rondom de thema’s

  •   Module Taalontwikkeling en diversiteit (LTAO2)

    Inhoud Module Taalontwikkeling en diversiteit (LTAO2)

    Taal speelt in het onderwijs een grote rol, zowel als doel (leren lezen, schrijven) en als middel (kennisoverdracht, kennisverwerving). Leerlingen met spraak- en taalproblemen (taalzwakke en/of meertalige leerlingen) hebben een grotere kans op leerproblemen, zoals lees- en schrijfproblemen waardoor ook andere schoolse vaardigheden zich minder goed ontwikkelen. De inhoud van deze module is specifiek gericht op leerlingen waarvan de taalontwikkeling extra ondersteuning vraagt; primair of secundair van invloed op leerontwikkeling en/of gedrag. Doel van de module is kennis, vaardigheid en attitude uiteen te zetten op het gebied van taalontwikkeling en taalfuncties, zodat je inzicht krijgt in het belang van de specifieke (preventieve) begeleiding aan (meertalige) leerlingen met taal -en spraakproblemen. De module is bedoeld voor onderwijsprofessionals die zich willen specialiseren in het begeleiden van leerlingen met verschillende onderwijsbehoeften op het gebied van taal -en spraakproblematiek. De inhoud van deze module is gebaseerd op relevante en actuele nationale en internationale (onderzoeks)literatuur. Tijdens de modules zal rekening worden gehouden met de praktijkcontext in verschillend typen van (speciaal) onderwijs.

    Thema's

    • Voorwaarden voor taalverwerving en taalverwerking
    • Taalinhoud, taalvorm en taalgebruik
    • Meertaligheid, NT2
    • Taalattitude
    • Taalgericht vakonderwijs
    • Woordenschat en begripsuitbreiding
    • Relatie-/doelonderzoek en de eigen onderwijspraktijk

    Na deze module kun je:

    • de invloed van de omgeving binnen taalverwerving van een leerling onderkennen, heb je zicht hoe in de onderwijspraktijk aandacht aan taalverwerving wordt besteed en interactief taalonderwijs vorm krijgt;
    • visie op de begeleiding van meertalige leerlingen koppelen aan aspecten van meertalige ontwikkeling en van hieruit ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen;
    • vanuit verschillende perspectieven woordenschatdidactiek kritisch analyseren op toepasbaarheid en dit gebruiken in de praktijk;
    • spraak -en taalontwikkeling analyseren op taalbegrip en taalproductie in en hiermee bijdragen aan taalondersteuning.

  •   Module Taalstimulering en ondersteunde communicatie (LTAO3)

    Inhoud Module Taalstimulering en ondersteunde communicatie (LTAO3)

    Door middel van communicatie wordt taal geleerd door leerlingen. Wanneer het vermogen of de behoefte om te communiceren beperkt is, is dit van invloed zijn op de taalontwikkeling. Deze leerlingen hebben een specifieke onderwijsbehoefte waarbij ‘taalstimulering’ centraal staat. De inhoud van deze module richt zich op leerlingen die beperkt zijn in hun taal en communicatie, maar wél tot spreken komen. Voor leerlingen met een communicatiebeperking is het van belang dat je je verdiept in de wijze waarop zij taal leren. Taal leren door middel van communicatie vraagt om voortdurende interactie tussen de spreker en de ontvanger. Bijvoorbeeld door communicatievormen te kunnen hanteren in aansluiting op de behoefte van de leerling, omdat de aard van de belemmering de relatie en het gedrag van de leerling kunnen beïnvloeden. Het doel van deze module is zicht krijgen op de functie van taal te leren door middel van communicatie. Het gesprek én de betekenis van het visualiseren (in taal) staan centraal. Je dient kritisch te kunnen reflecteren op je eigen rol tijdens dit proces. In kennis, vaardigheid en attitude is te zien hoe op specifieke onderwijsbehoeften van de leerling met een communicatiebeperking wordt afgestemd.

    De inhoud is specifiek gericht op leerlingen met een onderwijsbehoefte aan taalstimulering; primair of secundair van invloed op leerontwikkeling en/of gedrag. Tijdens de module wordt rekening gehouden met praktijkcontexten in verschillende typen (speciaal) onderwijs.

    Thema's

    • Taal leren middels communicatie: als doel of als middel?
    • De essentie van visualiseren: daar staat wat ik vertel!
    • Taalbeschouwing
    • Doelgericht vragen stellen
    • Ondersteunde communicatie
    • Aandacht voor verschillende onderwijsbehoeften: (o.a. autisme, slechthorenden, ernstige spraak -en taalstoornissen, selectief mutisme, meertaligheid)

    Na deze module kun je:

    • behoeften van taalleren en communicatiebeperkingen verklaren en daarin ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen
    • functie van taalleren als ‘doel of middel’ en taalbeschouwing in communicatie onderkennen en daarop afstemmen;
    • het verloop van een gesprek en vraagstelling analyseren en aanpassen aan de onderwijsbehoefte van de leerling én het onderwijsdoel van het moment;
    • de communicatie versterken door te visualiseren (in taal) en doelgericht te werken.

  •   Module Tekstbegrip: luisteren, lezen en schrijven (LTAO4)

    Inhoud Module Tekstbegrip: luisteren, lezen en schrijven (LTAO4)

    Begrijpen van taal is een actief en complex proces waarbij de lezer voortdurend betekenis toekent aan de informatie die hij krijgt. Achtergrondkennis, woordkennis, metacognitie, vlot technisch kunnen lezen en taalvaardigheid zijn onder andere factoren die daarbij van cruciaal belang zijn.

    Voor het lezen, luisteren en schrijven met begrip is echter nog meer nodig. Tijdens de bijeenkomsten ervaar je zelf deze complexiteit, vertaal je deze ervaring naar de theorie en naar (implicaties voor) het onderwijsaanbod op school-, groeps- en leerlingniveau in jouw praktijk. Hoe beter de kwaliteit en de samenhang van lees-, luister- en schrijfonderwijs, hoe meer mogelijkheden leerlingen hebben om zich optimaal te richten op de inhoud van de taal.

    Om de kwaliteit van het onderwijsaanbod te verhogen is het noodzakelijk dat je inzicht hebt in verschillende actuele (inter)nationale ontwikkelingen en visies. Vanuit een reflectief onderzoekende houding gebruik je de theorie om (aanbevelingen met betrekking tot) het concrete onderwijsaanbod in jouw praktijk te kunnen beargumenteren, te verantwoorden, te verwoorden, uit te voeren en te evalueren. In de bijeenkomsten staat de koppeling van de theorie aan de eigen praktijk centraal. Je maakt zelf een keuze uit de (verdiepende) literatuur op basis van jouw werkveld. Het delen van praktijkervaringen met medestudenten neemt een belangrijke plaats in bij iedere bijeenkomst. Het is van belang de voorbereiding voorafgaande aan een bijeenkomst uit te voeren. Daarvoor maken we gebruik onder andere van activiteiten die je bij voorkeur samen met een medestudent uitvoert.

    Tijdens de bijeenkomsten zal rekening worden gehouden met praktijkcontexten in het primair, voortgezet, beroeps- en speciaal onderwijs.

    Thema's

    • Achtergronden, context en theoretisch kader
    • Taaldomeinen en leerlijnen in samenhang
    • Onderwijsbehoeften van leerlingen onderkennen, analyseren en verzamelde gegevens interpreteren
    • Effectieve interventies en differentiatie
    • Begrijpend lezen, luisteren en schrijven in alle vakken

    Na deze module kun je:

    • de ontwikkeling van lezen, luisteren en schrijven van leerlingen en het onderwijsaanbod op het gebied van lezen met begrip en schrijven in jouw praktijk op school-, groeps- en leerlingniveau kritisch analyseren en theoretisch onderbouwde aanbevelingen doen om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de praktijkcontext.
    • op een systematische, onderbouwde wijze onderwijsbehoeften te bepalen bij leerlingen met problemen bij lezen, luisteren en schrijven om de leeromgeving daarop kritisch te beoordelen en ontwikkelingskansen te bieden in samenspraak met alle betrokkenen

  •   Module Beginnende geletterdheid en dyslexie (LTAO5)

    Inhoud Module Beginnende geletterdheid en dyslexie (LTAO5)

    Al op jonge leeftijd komen kinderen in aanraking met onze geletterde maatschappij. Zij zien dagelijks mensen lezen, appen en met een computer of tablet werken. In het dagelijks leven wordt elke dag vaardigheid in lezen en spellen gevraagd: het lezen van ondertitels, van de krant, het invullen van formulieren. Al vroeg kan de ontwikkeling van geletterdheid gevolgd worden en kan het onderwijsaanbod afgestemd worden op de onderwijsbehoeften van leerlingen.

    In deze module vind je handvatten voor adequate begeleiding van leerlingen bij de ontwikkeling van beginnende geletterdheid en voor tijdige signalering van risicofactoren voor dyslexie. Onder beginnende geletterdheid verstaan we het groeiende inzicht van leerlingen in de functies van geschreven taal, inzicht in het alfabetisch schrift en het verband tussen gesproken en geschreven taal (de ontwikkeling die gebruikelijk is in groep 1, 2 en 3 van het po).

    De bijeenkomsten richten zich op school-, groeps- en individueel niveau en dagen uit tot kritisch beschouwen en het verbeteren van het onderwijsaanbod gericht op beginnende geletterdheid en signalering van risicofactoren voor dyslexie in de eigen praktijk op basis van recente inzichten

    Cyclisch planmatig werken vormt de grondslag van de module en ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen staat centraal.

    In de bijeenkomsten staat de koppeling van de theorie aan de eigen praktijk centraal. Je maakt zelf een keuze uit de (verdiepende) literatuur op basis van jouw werkveld. Er wordt een hoge betrokkenheid en actieve inbreng verwacht. Het delen van praktijkervaringen met medestudenten neemt een belangrijke plaats in bij iedere bijeenkomst. Het is van belang de voorbereiding voorafgaande aan een bijeenkomst uit te voeren. Daarvoor maken we gebruik onder andere van activiteiten die je bij voorkeur samen met een medestudent uitvoert.

    De bijeenkomsten richten zich op leerlingen in de leeftijdsgroep 4-9 jaar in het (speciaal) basisonderwijs.

    Thema's

    • Actuele wetenschappelijke inzichten over effectief onderwijsaanbod en ontwikkelingsproblemen bij beginnende geletterdheid
    • Voorbereidend en aanvankelijk lezen, fonologische en fonemische ontwikkeling, elementaire leeshandeling
    • Invented spelling en creatief schrijven, inclusief motorische aspecten;
    • (Voor)leesplezier, de leesomgeving op school en thuis;
    • Volgen van de ontwikkeling van leerlingen bij beginnende geletterdheid;
    • Signalen van risicofactoren dyslexie bij beginnende geletterdheid
    • Onderwijsbehoeften van alle leerlingen bij beginnende geletterdheid;
    • Effectieve extra interventies bij beginnende geletterdheid.

    Na deze module kun je:

    • de ontwikkeling van leerlingen en het onderwijsaanbod op het gebied van beginnende geletterdheid in jouw praktijk op school-, groeps- en individueel niveau kritisch analyseren en theoretisch onderbouwde aanbevelingen doen, om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de praktijkcontext.
    • op een systematische, onderbouwde wijze onderwijsbehoeftes te bepalen bij leerlingen met problemen bij de ontwikkeling van beginnende geletterdheid om de leeromgeving daarop kritisch te beoordelen en ontwikkelingskansen te bieden in samenspraak met alle betrokkenen.

  •   Module Gevorderde geletterdheid en dyslexie (LTAO6)

    Inhoud Module Gevorderde geletterdheid en dyslexie (LTAO6)

    Elke dag wordt vaardigheid in lezen en spellen gevraagd: het lezen van ondertitels, van de krant, het invullen van formulieren. Bij het algehele functioneren in onze samenleving wordt functionele geletterdheid gevraagd en een lager niveau hierin betekent dat deelname aan de samenleving hindernissen kent. Als leerlingen onvoldoende adequate begeleiding krijgen en dyslexie niet tijdig onderkend wordt ontstaat er frustratie van talent. Als leerlingen de techniek van lezen en spellen onvoldoende onder de knie krijgen, missen ze grote delen van het onderwijsaanbod.

    De module daagt uit tot kritisch beschouwen en het verbeteren van de gevorderde geletterdheid en dyslexie in de eigen praktijk op basis van recente inzichten. De module richt zich daarbij op school-, groeps- en leerlingniveau.

    Cyclisch planmatig werken vormt de grondslag van de module en afstemming op de onderwijsbehoeften van leerlingen staat centraal. Tijdens de modules zal rekening worden gehouden met praktijkcontexten van het PO, VO, MBO en HBO.

    Thema's

    • Fasen en doelen van het voortgezet lezen en spellen (gevorderde geletterdheid).
    • Relatie lezen, spelling en dyslexie
    • Onderwijsbehoeften van leerlingen met dyslexie in PO, VO, MBO en HBO
    • Leren omgaan met taalleesproblemen en dyslexie (leerlingen en ouders)
    • Afstemming tussen leerling – ouders – onderwijsinstelling - gezondheidszorg (ketenzorg)
    • Diagnose van dyslexie in de gezondheidszorg, co-morbiditeit
    • Dyslexiebeleid: dyslexie in relatie tot Protocollen Leesproblemen en Dyslexie en Masterplan Dyslexie

    Na deze module kun je:

    • kenmerken en achtergronden van gevorderde geletterdheid en dyslexie koppelen aan de handelingsalternatieven binnen de praktijkcontext.
    • op planmatig, onderbouwde wijze onderwijsbehoeftes bepalen bij leerlingen/studenten met lees-taalproblemen en dyslexie, van hieruit ontwikkelingskansen bieden en dit communiceren met alle betrokkenen
    • bijdragen aan schoolbeleid rondom dyslexie

  •   Module Taalgericht vakonderwijs, vreemde talen en dyslexie (LTAO7)

    Inhoud Module Taalgericht vakonderwijs, vreemde talen en dyslexie (LTAO7)

    In de module onderzoeken we welke vaardigheden leerlingen moeten ontwikkelen om te voldoen aan de referentieniveaus, welke strategieën ze gebruiken en welke leeromgeving en (inter)acties van de leraar ondersteunend werken.

    Na een algemene inleiding waarin je wordt uitgenodigd kritisch te reflecteren op jouw praktijksituatie omtrent taalgericht vakonderwijs, moderne vreemde talen en dyslexie verken je samen met medestudenten de problematiek en samenhang rondom deze drie aspecten van onderwijs

    Daarbij komen (meer) talige problematiek, dyslexie en sociaal emotionele problemen aan de orde gezien vanuit actuele (inter)nationale ontwikkelingen, inzichten en “good practices”.

    Er wordt ingegaan op de signalering en ondersteuning van leerlingen binnen het VO en MBO op het gebied van taal op groeps- en individueel niveau, waarbij speciale aandacht wordt gegeven aan tweede-taalleerders en leerlingen met dyslexie. Daarnaast wordt ingegaan op advisering van collega’s in andere vaksecties en overleg met andere professionals. Tenslotte is er aandacht voor preventie op het gebied van taalachterstanden

    De module is voornamelijk gericht op de inhouden van taal, die aan de orde komen binnen het VO en MBO. De module kan echter ook voor geïnteresseerden uit het primair onderwijs bruikbare achtergronden bieden.

    Thema's

    • Taalbewust onderwijs en taalgericht vakonderwijs en de relatie met talige problematiek.
    • Vreemde talen onderwijs en de relatie met dyslexie.
    • Receptieve en productieve taalvaardigheden: schrijven, luisteren, spreken lezen.
    • Belang van woordenschat(onderwijs) en kennis van de wereld.
    • Effectieve interventies, faciliteiten en ondersteuning op groeps- en individueel niveau.

    Na deze module kun je:

    • de achtergronden van taalvaardigheidsproblemen koppelen aan de invloed daarvan op de prestaties van leerlingen/studenten bij alle vakken.
    • eigen professioneel en ondersteunend handelen onderbouwen vanuit relevante theorieën en modellen en ten aanzien van begrijpend lezen in alle vakken binnen het VO-MBO.
    • signalering, screening en ondersteuning van taal/lees zwakke en dyslectische leerlingen/studenten vanuit de eigen rol binnen de vakgebieden en school
    • planmatig en kritisch onderzoekend ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen/studenten met talige problemen binnen vreemde taal en vaktaal gebieden vanuit je rol binnen de praktijkcontext

  •   Module Hoor- en spraakontwikkeling (LTAO8)

    Inhoud Module Hoor- en spraakontwikkeling (LTAO8)

    Het pedagogische/didactisch denken en handelen van leraren van leerlingen met een communicatieve beperking vraagt om kennis over horen, luisteren en spreken. Daarnaast wordt in deze module aandacht besteed aan de invloed van hoor en/of spraakproblemen op de ontwikkeling van de leerling. De inhoud is specifiek gericht op leerlingen met een communicatiebeperking; primair of secundair van invloed op leerontwikkeling en/of gedrag. Tijdens de module wordt rekening gehouden met de praktijkcontext in verschillend type (speciaal) onderwijs. De inhoud van deze module is gericht op de betekenis van hoor- en spraakstoornissen voor de leerling en zijn omgeving. Mogelijke oorzaken en gevolgen worden besproken.

    Thema's

    • Betekenisgeving: horen, luisteren, waarnemen
    • Werking van het oor
    • Slechthorendheid en Cochleaire implementatie (C.I.)
    • Toon- en (spraak)audiogrammen lezen en interpreteren
    • Auditieve verwerkingsproblematiek (AVP)
    • Sensorische Informatieverwerking (S.I.)
    • Articulatieproblemen: o.a. broddelen, stotteren, dyspraxie
    • Afwijkende mondgewoonten

    Na deze module

    • heb je inzicht in de betekenis van hoor- en spraakproblemen voor de leerling en zijn omgeving.
    • Heb je zicht op oorzaken van hoor- en spraakproblemen en gevolgen daarvan
    • Kun je een relatie leggen tussen mogelijke gevolgen (voor leerling en leerkracht) van deze beperking en de onderwijsmogelijkheden die van belang zijn voor leerlingen met hoor, en spraakproblemen.

  •   Module Beginnende gecijferdheid en aanvankelijk rekenen/wiskunde (LRWO1)

    Inhoud Module Beginnende gecijferdheid en aanvankelijk rekenen/wiskunde (LRWO1)

    In deze module gaan we in op de ontwikkeling van beginnende gecijferdheid en rekenvaardigheden bij leerlingen. Vanuit het ontstaan van getalbegrip bij jonge kinderen gaan we in op de ontwikkeling van de basisvaardigheden rekenen. Onder basisvaardigheden verstaan we de basisbewerkingen (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen) tot 100. In deze module ligt de nadruk op de onderbouw van het basisonderwijs (tot en met groep 5).

    In de module ga je onderzoeken hoe en welke inzichten leerlingen kunnen ontwikkelen en wat leerlingen nodig hebben om tot gecijferdheid te komen, bij een al of niet spontane ontwikkeling. We gaan in op pedagogische en didactische effectieve interventies voor de hele groep, voor lichte en matige rekenproblemen en voor ernstige rekenproblemen. Hierbij komen diverse theoretische perspectieven aan de orde. Het doel is om planmatig en kritisch onderzoekend de ondersteuning van leerlingen in hun rekenontwikkeling vormgeven.

    De thematiek van deze module is voornamelijk gericht op PO. De module biedt voor geïnteresseerden uit VO en MBO ook bruikbare achtergronden.

    Thema's

    • Kernconcepten binnen reken wiskundeonderwijs
    • Pedagogische en didactische perspectieven met betrekking tot beginnende gecijferdheid en basisvaardigheden
    • Ontwikkelingskansen bij de ontwikkeling naar beginnende gecijferdheid en basisvaardigheden rekenen
    • Preventief, diagnosticerend rekenwiskunde onderwijs: onderwijsbehoeften vaststellen
    • Zicht krijgen op strategieën en modellen van leerlingen bij de basisvaardigheden van het rekenen (getalbewerkingen tot 100)
    • Succesvolle interventies en ondersteunende rekenwiskunde ontwikkelingsmaterialen

    Na deze module kun je:

    • onderwijsbehoeften bepalen bij de ontwikkeling van reken/wiskundige kerninzichten van leerlingen, hierop afstemmen en deze vertalen in een uitdagende leeromgeving;
    • op systematisch wijze een analyse maken van de beginnende gecijferdheid en basisvaardigheden van leerlingen en ontwikkelingskansen bieden in het leerproces van de beginnende rekenontwikkeling;
    • de ontwikkeling van de beginnende gecijferdheid en de basisvaardigheden rekenen relateren aan het schoolbeleid en dit delen met betrokkenen om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de onderwijspraktijk.

  •   Module Gevorderde gecijferdheid en rekenen in de bovenbouw van het PO (LRWO2)

    Inhoud Module Gevorderde gecijferdheid en rekenen in de bovenbouw van het PO (LRWO2)

    In deze module gaan we in op de ontwikkeling van gevorderde gecijferdheid en reken- wiskundevaardigheden bij leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs (vanaf groep 5). We gaan in op pedagogische en didactische concepten en theorieën die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van strategieën en modellen in het domein van de gevorderde gecijferdheid.

    In de module ga je onderzoeken hoe en welke inzichten leerlingen kunnen ontwikkelen en wat leerlingen nodig hebben om tot gevorderde gecijferdheid te komen. We gaan in op pedagogische en didactische effectieve interventies die voor de gehele groep gelden, voor lichte en matige rekenproblemen en voor ernstige rekenproblemen. Hierbij komen diverse theoretische perspectieven aan de orde. Je gaat planmatig en kritisch onderzoekend, de ondersteuning van leerlingen in hun rekenontwikkeling vormgeven.

    Thema's

    • Preventief, diagnosticerend rekenwiskunde onderwijs: onderwijsbehoeften van leerlingen met reken- en wiskundeproblemen in de bovenbouw van het PO.
    • Ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen met reken-wiskunde problemen: ontwikkelingsperspectieven bij rekenen-wiskunde en referentieniveaus.
    • Diagnostische gespreksvoering: zicht krijgen op gehanteerde strategieën en modellen van leerlingen.
    • Afgestemd (ortho-)pedagogisch-didactisch handelen: effectieve interventies en werkwijzen.
    • Probleemoplossende reken/wiskunde vaardigheden bij leerlingen in de bovenbouw PO ontwikkelen.

    Na deze module kun je:

    • onderwijsbehoeften bepalen bij de ontwikkeling van reken/wiskundige kerninzichten van leerlingen, hierop afstemmen en deze vertalen in een uitdagende leeromgeving;
    • op systematisch, onderbouwde wijze een analyse maken van de rekenvaardigheden van leerlingen en ontwikkelingskansen bieden in het leerproces van de rekenontwikkeling;
    • de ontwikkeling van de gevorderde gecijferdheid en reken/wiskundevaardigheden relateren aan het schoolbeleid en dit delen met betrokkenen om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling het de onderwijspraktijk.

  •   Module Rekenen/wiskunde in VO en MBO (LRWO3)

    Inhoud Module Rekenen/wiskunde in VO en MBO (LRWO3)

    In deze module gaan we in op het rekenen in het VO en MBO. We kijken daarbij naar rekenen als ‘functionele rekenvaardigheid’, die nodig is om als volwaardig burger in de maatschappij te kunnen functioneren. Daarbij spelen de referentieniveaus een rol. Ook gaan we in op de overgang van PO naar VO naar MBO en kijken we naar de integratie van rekenen in andere vakken. Daarbij is de integratie met het vak wiskunde de meest voor de hand liggende en zijn er ook andere verbindingen.

    Tevens ga je in de module onderzoeken hoe en welke inzichten leerlingen kunnen ontwikkelen en wat leerlingen nodig hebben om tot functionele gecijferdheid te komen. We gaan in op pedagogische en didactische effectieve interventies die, voor de gehele groep gelden, voor lichte en matige rekenproblemen en voorernstige rekenproblemen. Hierbij komen diverse theoretische perspectieven aan de orde. Je gaat aan het werk om, op planmatige en onderzoekende wijze, de ondersteuning van leerlingen in hun rekenontwikkeling vorm te geven.

    Thema's

    • Preventief, diagnosticerend rekenwiskunde onderwijs: onderwijsbehoeften van leerlingen met reken- en wiskundeproblemen in de bovenbouw van het po-vo-mbo.
    • Ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen bij rekenen-wiskunde en referentieniveaus.
    • Diagnostische gespreksvoering: zicht krijgen op gehanteerde strategieën en modellen van leerlingen.
    • Afgestemd (ortho-)pedagogisch-didactisch handelen: Succesvolle interventies en werkwijzen.
    • Ondersteunende en (re) mediërende reken-wiskunde materialen en methoden.
    • Probleemoplossende reken/wiskunde vaardigheden bij leerlingen in bovenbouw PO, VO en MBO.

    Na deze module kun je:

    • binnen het domein functionele gecijferdheid en rekenen/wiskunde, ontwikkelingskansen bieden aan leerlingen in het PO, VO, MBO
    • op systematische wijze een product- en procesanalyse maken en afstemmen op de rekenontwikkeling;
    • functionele gecijferdheid en rekenen/wiskunde relateren aan de schoolvisie en het rekencurriculum om een bijdrage te leveren aan het innoveren van de onderwijspraktijk;
    • binnen de praktijkcontext aanbevelingen doen en interventies vormgeven met betrekking tot reken/wiskunde toepassingen in het vak wiskunde en andere vakken.

  •   Module Motorisch leren, fijne motoriek en handschriftontwikkeling (LMOT1A)

    Inhoud Module Motorisch leren, fijne motoriek en handschriftontwikkeling (LMOT1A)

    Leerlingen die beperkingen ervaren in de fijne motoriek kunnen in het onderwijs en in het dagelijkse leven moeite hebben met allerlei handelingen waarbij de fijne sturing vanuit de vingers en de handen nodig is. Zo kan een kleuter het niet voor elkaar krijgen om een driehoek uit te knippen, een basisschoolleerling kan moeite hebben met bewegingssturing waardoor leesbaar en op tempo schrijven moeilijk is en op de middelbare school is het lastig als in de lessen techniek gesoldeerd wordt en de leerling kan de fijn motorische uitvoering niet secuur maken.

    Met betrekking tot motorisch leren wordt gebruik gemaakt van enkele belangrijke leerprincipes, zoals impliciet leren, expliciet leren, interne en externe focus en krijg je inzicht in de meeste effectieve vormen van feedback.

    In deze module wordt vanuit een oplossingsgerichte attitude, voor een leerling die beperkingen ervaart in de fijne motoriek, toegewerkt naar het opstellen van een handelingsplan. Met behulp van signaleringsinstrumenten wordt een analyse verricht en op basis van onderbouwde conclusies worden interventies vanuit motorische leerprincipes toegepast.

    Thema's

    • Signaleren motorische beperkingen
    • In kaart brengen motoriek en fijn motoriek
    • Het motorisch leerproces
    • Motorisch leerprofiel en begeleiding

    Na deze module kun je:

    • motorische beperkingen signaleren;
    • meetinstrumenten voor motoriek relateren aan onderzoek en de eigen praktijk;
    • het motorisch leerproces analyseren en ontwikkelingskansen bieden op het gebied van motorisch leren, de omgeving en de leerfasen;
    • systematisch en onderbouwd een profiel en handelingsvoorstel vaststellen met effectieve interventies.

  •   Module Motorische ontwikkeling, motorisch leren en licht motorische hulpvragen (LMOT2)

    Inhoud module Motorische ontwikkeling, motorisch leren en licht motorische hulpvragen (LMOT2)

    In deze module wordt nader ingegaan op motorische hulpvragen die ontstaan vanuit een licht motorische stoornis. Binnen het onderwijsveld (en feitelijk in de gehele maatschappij) is een toename van de motorische problematiek merkbaar. Verklaringen en oorzaken worden gezocht in bijvoorbeeld het minder bewegen van kinderen en verkeerde voedingspatronen. Vaak is sprake van licht motorische beperkingen en deze komen regelmatig in combinatie voor met andere stoornissen op het gebied van concentratie en leren.

    De leerlingen met deze problematiek vallen vaak onder de diagnose Developmental Coördination Disorder (DCD) zoals is vastgelegd in de DSM V. (juni 2013). Motorische belemmeringen kunnen zoveel energie van de leerling vragen dat deze niet, of beperkt aan leren toekomt. Er is regelmatig sprake van co morbiditeit met leerproblemen. Deze leerlingen hebben vaker en op een andere manier instructie en begeleiding nodig. Naar aanleiding van wat je in je praktijk ervaart leer je beslissingen te nemen voor een begeleidingstraject op maat voor een individuele leerling met licht motorische (maar daardoor vaak complexere) hulpvragen.

    Thema's

    • Screening van motorische ontwikkeling
    • Sensorische informatieverwerking
    • Developmental Coördination Disorder
    • Ontwikkelingsdyspraxie

    Na deze module kun je:

    • verbindingen leggen tussen diagnostiek, neurologische achtergronden en de begeleiding van leerlingen binnen de onderwijscontext met gediagnosticeerde motorische stoornissen als DCD, SI en ontwikkelingsdyspraxie;
    • licht motorische problemen analyseren in de praktijksituatie en op basis hiervan en in overleg met ouders een rapportage samenstellen en eventueel doorverwijzen;
    • licht motorische problemen analyseren in de praktijksituatie en op basis hiervan en in interventies op maat verzorgen.

  •   Module Gedrag en motoriek (LMOT3)

    Inhoud Module Gedrag en motoriek (LMOT3)

    Professionals die werken met leerlingen die belemmeringen ervaren in het zich eigen maken van fijn- en grof motorische vaardigheden, stellen centraal wat deze leerlingen nodig hebben om zich competent te kunnen voelen en hoe zij mee kunnen doen. Er wordt vaak voorbij gegaan aan de situaties, wanneer leerlingen binnen lessen waarbij motorische vaardigheden centraal staan specifiek gedrag vertonen (faalangstig, hyperactief, vermijdend of storend gedrag).

    Vanuit een oplossingsgerichte attitude wordt voor een leerling met gedragsproblemen, een lage competentiebeleving of faalangst een handelingsplan opgesteld, op basis van de kennis uit wetenschappelijk onderzoek.

    Thema's

    • Motorische ontwikkeling en bewegingsscenario’s voor leerlingen
    • Werken met aandacht: werkhouding en motoriek
    • Externaliserend en internaliserend gedrag tijdens spel en bewegingssituaties.
    • Motorische faalangst en buitenspel

    Na deze module kun je:

    • onderbouwd vanuit concepten van motorische ontwikkeling bewegingsscenario’s ontwerpen voor leerlingen;
    • vanuit neuropsychologische aanknopingspunten een benadering van de werkhouding en motoriek vaststellen;
    • externaliserend en internaliserend gedrag herkennen tijdens spel en bewegingssituaties en hierop afstemmen;
    • consequenties voor begeleiding en leerstofaanbod onderkennen voor motorische faalangst bij buitenspel.

  •   Module Orthopedagogisch handelen bij leerlingen met een verstandelijke / lichamelijke beperking (LVLB1A)

    Inhoud Module Orthopedagogisch handelen bij leerlingen met verstandelijke / lichamelijke beperking (LVLB1A)

    Acute en chronische ziekten, lichamelijke afwijkingen of verlies van functies, stoornissen van motoriek, spraak-, gehoor-, visusproblemen en problemen met de cognitieve ontwikkeling zijn van alle tijden. Deze problemen kunnen leiden tot beperkingen in het uitvoeren van activiteiten, waardoor dit soms nadelige gevolgen heeft voor de participatie van kinderen en jongeren.

    In het kader van passend onderwijs is het een ware uitdaging om een adequaat onderwijsaanbod te realiseren. Veel van deze kinderen gaan nu nog naar het speciaal onderwijs. Ook nemen ze in toenemende mate deel aan het regulier onderwijs.

    Dit vraagt om je te verdiepen in de medische achtergrond van verschillende problematieken, om kennis te hebben van het medische jargon in het dossier en om een verkenning te doen van de grenzen in medische/pedagogisch handelen.

    Thema's

    • Kinderneurologische aandoeningen, zoals Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH), Cerebrale Parese (CP) en Spina Bifida
    • Verstandelijke beperkingen, syndroom van Down, andere voorkomende syndromen en de relatie met erfelijkheid
    • Begeleiding en leerstof aanbod
    • Afstemming leerling-ouders-onderwijs

    Na deze module kun je:

    • het begrip verstandelijke beperking, de sociaal emotionele ontwikkeling en afgestemde bejegening van verstandelijk beperkten toepassen in het handelen en de communicatie binnen de praktijkcontext;
    • de kennis van medische terminologie, zoals het Nederlandse systeem van vroegdiagnostiek (ICF) koppelen aan indicatiecriteria voor cluster 3 onderwijs;
    • betekenis van verschillende syndromen, medische problematieken en neurologische stoornissen, relateren aan het medisch model en het sociale model bij de afwegingen van een handelingsgerichte /oplossingsgerichte benadering van leerlingen binnen praktijkcontext.
    • het protocol medisch handelen in de eigen praktijk kritisch evalueren

  •   Module Orthodidactisch handelen bij leerlingen met verstandelijke / lichamelijke beperking (LVLB3A)

    Inhoud Module Orthodidactisch handelen bij leerlingen met verstandelijke / lichamelijke beperking (LVLB3A)

    Bij leerlingen die moeilijk of zeer moeilijk lerend zijn is het vaak nodig om op zoek te gaan naar manieren waarop het onderwijs aangeboden kan worden zodat dit de ontwikkeling van de leerling stimuleert. Dat vraagt van de leerkracht een onderzoekende houding en een arsenaal aan didactische werkwijzen die op het juiste moment ingezet kunnen worden.

    Je verdiept je in onderwijsconcepten en orthodidactische processen die ondersteunend zijn bij het vormgeven van een krachtige leeromgeving voor moeilijk en zeer moeilijk lerende leerlingen die soms ook te maken hebben met lichamelijke beperkingen.

    Tijdens en tussen de bijeenkomsten werk je aan een casus uit je eigen praktijk. Daarin integreer je de theorie die in de bijeenkomsten aan de orde komt. Je denkt mee met didactische vraagstukken van andere studenten en geeft elkaar feedback op de uitwerking van de casus.

    Thema's

    • Programmagericht, adaptief, ontwikkelingsgericht en opbrengstgericht onderwijs.
    • Motivatie en taakgerichtheid van de leerling.
    • Diagnostisch onderwijzen en leerstijlen van ZML-leerlingen.
    • Directe instructie en Expliciete Directie Instructie (EDI) en ondersteuningsbehoeften.
    • Samenwerkend leren.
    • Specifieke programma’s zoals Lezen moet je doen”, “Zeggen wat je ziet”, “Leespraat”, “Rekenlijn”, “De Rekenboog”, “Taallessen in ZML” en “STIP”

    Na deze module kun je:

    • Een motiverende en krachtige leeromgeving ontwerpen voor zeer moeilijk lerende leerlingen en dit delen met collega’s om bij te dragen de praktijk
    • Planmatig instructie en ondersteuningsbehoeften van zeer moeilijke lerende leerlingen in beeld brengen en onderbouwd interventies afstemmen op leerstijlen en behoeften in samenhang met de ecologie van leerling.

  •   Module Onderwijs en leerlingen met ernstige meervoudige beperking (EMB) (LVLB4A)

    Inhoud Onderwijs en leerlingen met ernstige meervoudige beperking (EMB) (LVLB4A)

    Kinderen met Ernstige Meervoudige Beperkingen (EMB) nemen in toenemende mate deel aan het onderwijs in ons land. Het betreft doorgaans kinderen met zowel cognitieve, fysieke en/of psychische problematieken. Het onderwijs aan deze leerlingen kenmerkt zich door een specialistisch onderwijs/ zorgaanbod, waarin veel ondersteuning nodig is, omdat ze behalve ernstige cognitieve beperkingen, ook veelvuldig motorische, sensorische of andere problemen hebben. Deze groep kinderen heeft doorgaans een IQ langer dan 35 en een ontwikkelingsleeftijd onder 5 jaar. Zorg en onderwijs gaan voor kinderen met EMB vaak samen.

    Goed onderwijs voor kinderen met EMB omvat interdisciplinaire samenwerking, sterk leiderschap, aanpassingen van en invoering van een specifiek curriculum, goed gebruik maken van ondersteunend personeel, nauwe samenwerking met het gezin. Theoretische kennis over de ontwikkeling van kinderen met EMB en een juiste beeldvorming biedt handvatten voor de begeleiding van deze doelgroep.

    Thema's

    • Beeldvorming en LACCS-methode
    • Sensorische waarneming, sensomotorische ontwikkeling en alertheid
    • Ervaringsordening en sociaal emotionele ontwikkeling
    • Communicatie en contactname
    • Aanpassing van de leeromgeving
    • Intensieve individuele ondersteuning en opbrengstgericht werken

    Na deze module kun je:

    • de kenmerken en positie van kinderen met EMB koppelen aan afgestemd en stimulerend pedagogisch handelen om een ’goed leven’ mede vorm te geven.
    • in samenwerking met collega’s kinderen en hun ecologische context een stem geven en hiermee een bijdrage leveren aan beleidsontwikkelingen ten aanzien van de doelgroep, op school- of bovenschools niveau.
    • vanuit meerdere theorieën over de sensorische en sensomotorische ontwikkeling, prikkelregulering en alertheid onderbouwde ontwikkelingskansen bieden aan kinderen met EMB in onderwijs- en zorgarrangementen.
    • een analyse maken van effectieve of niet-effectieve communicatie en een adequate leeromgeving voor kinderen met EMB.
    • een opbrengstgericht programma maken voor intensieve ondersteuning van kinderen met EMB in de klas.

  •   Module Theoretische kennis begaafdheid (LBGH1)

    Inhoud Module Theoretische kennis begaafdheid (LBGH1)

    Deze module vormt de basis van de modules gericht op (hoog)begaafdheid en is bedoeld voor leraren die zich, in de breedste zin van het woord, willen specialiseren in het begeleiden van (hoog)begaafde leerlingen. In deze module maak je kennis met relevante theorieën over (hoog)begaafdheid.

    Binnen deze module bestudeer je de belangrijkste wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van theorieën en visies ten aanzien van (hoog)begaafdheid. Je oefent met het herkennen van leer- en persoonlijkheidseigenschappen die vanuit verschillende perspectieven aan (hoog)begaafde leerlingen worden toegeschreven. Je oriënteert je op leerlingen die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor peergroeponderwijs.

    Thema's

    • Concepten van (hoog)begaafdheid
    • Wetenschappelijke modellen en visies over (hoog)begaafdheid
    • Specifieke Leer- en Persoonlijkheidseigenschappen verbinden aan concreet waarneembaar gedrag.
    • Consequenties voor begeleiding vanuit het ecologisch systeem
    • Waarde van IQ-score
    • Onderwijsbehoeften van de (hoog)begaafde leerling
    • Toolkits (DHH, Sidi en Begaafdheid in Zicht)
    • Welke (hoog-)begaafde leerlingen mogen in de plusgroep
    • Leerkrachtvaardigheden voor het begeleiden van (hoog)begaafde leerlingen

    Wat kun je na deze module?

    Je hebt op basis van (inter)nationale modellen een visie over (hoog)begaafdheid passend bij de eigen praktijk en je kunt de doelgroep (hoog)begaafde leerlingen op zorgniveau 2,3 en/of 4 onderbouwd karakteriseren.

  •   Module Leerstofgerelateerde interventies / leerarrangementen begaafdheid (LBGH2)

    Inhoud Module Leerstofgerelateerde interventies / leerarrangementen begaafdheid (LBGH2)

    Deze module bevat inhouden om aanpassingen te verzorgen in de onderwijsarrangementen voor (hoog)begaafde leerlingen in het primair onderwijs. Deze module bouwt voort op de theoretische kennis uit LBGH1 en op jouw visie op (hoog)begaafdheid die je geformuleerd hebt. De aanpassingen in leerarrangementen hebben te maken met leerstof en werkvormen, maar ook met leertijdverkorting, leeromgeving en pedagogische begeleiding. Er is specifieke aandacht voor begeleidingsvormen zoals compacten, verrijken en leertijdverkorting. Daarbij stellen we tot slot de vraag of deze begeleidingsvormen op zorgniveau 2, in de eigen klas, kunnen plaatsvinden of dat er ook op zorgniveau drie, het peergroeponderwijs, een deel van deze begeleiding moet worden ingevuld. Daarnaast is er aandacht voor de vraag wanneer er sprake is van ‘leren’ en op welke manieren dit leren door de leerkracht beïnvloed kan worden, zodanig dat (hoog)begaafde leerlingen hiervan optimaal kunnen profiteren.

    Thema's

    • Compacten
    • Verrijken
    • Leertijdverkorting
    • Peergroeponderwijs

    Wat kun je na deze module?

    Je kunt, op basis van jouw visie op educational needs van (hoog)begaafde leerlingen, leerstofgerichte begeleidingsinterventies, op het gebied van compacten verrijken en leertijdverkorting, gedifferentieerd organiseren en evalueren op zorgniveau’s 2,3 en/of 4 voor (hoog)begaafde leerlingen met inachtneming van de kansen en belemmeringen in de ecologie.

  •   Module Niet leerstof gerelateerde interventies begaafdheid (LBGH3)

    Inhoud Module Niet leerstof gerelateerde interventies begaafdheid (LBGH3)

    In deze module staan interventies centraal die te maken hebben met de sociaal-emotionele ontwikkeling van (hoog)begaafde leerlingen, die niet direct leerstofgericht zijn. Je ontwikkelt een leerlijn voor een (hoog)begaafde leerling of groepje (hoog)begaafde leerlingen met sociaal- emotionele problematiek en overweegt of deze op zorgniveau 1, 2 en/of 3 kan worden ingezet.

    Deze module sluit aan bij de modules LBGH1 en LBGH2. De hoor- en werkcolleges worden verdiept met praktijkopdrachten waardoor de aangeboden kennis wordt toegepast.

    Thema's

    • De sociaal-emotionele ontwikkeling van (hoog)begaafde leerlingen.
    • Perfectionisme, faalangst en motivatie
    • Het stimuleren van werk- en leerstrategieën bij (hoog)begaafde leerlingen.
    • Ontwikkelen van een leerlijn voor een (hoog)begaafde leerling of groepje (hoog)begaafde leerlingen met sociaal-emotionele problematiek

    Wat kun je na deze module?

    Je kunt niet-leerstof gerichte begeleidingsinterventies, op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling, perfectionisme, faalangst, motivatie en /of werk- en leer strategieën, gedifferentieerd organiseren en evalueren op zorgniveaus 2,3 en/of 4 voor (hoog)begaafde leerlingen met inachtneming van de kansen en belemmeringen in de ecologie.

  •   Module Onderpresteren (LBGH4)

    Inhoud Module Onderpresteren (LBGH4)

    De module Onderpresteren is gericht op het herkennen, verklaren en begeleiden van onderpresteren bij (hoog)begaafde leerlingen. Onder onderpresteren verstaan we het stelselmatig minder presteren dan op grond van de capaciteiten van een leerling verwacht mag worden (zonder dat het gedrag van de leerling veroorzaakt wordt door een leer-, persoonlijkheids- of gedragsstoornis). Indien er sprake is van een (vermoeden van) onderpresteren is het belangrijk dat basismaatregelen zoals compacten en verrijken op grond van een goede handelingsgerichte diagnostiek toegepast kunnen worden. Daarnaast moet ook nauwgezet vastgesteld worden wat de aanvullende educatieve behoeften van de onderpresterende leerling zijn. Daarbij stellen we tot slot de vraag of deze begeleidingsvormen op zorgniveau 1, 2, in de eigen klas, kunnen plaatsvinden of dat er daarnaast ook op zorgniveau 3 of 4, het peergroeponderwijs, een deel van deze begeleiding moet worden ingevuld. Deze module is voornamelijk gericht op PO.

    De kennis en vaardigheden zoals beschreven bij de modules LBGH1, LBGH2 en LBGH3 worden als startniveau van deze module verondersteld.

    Thema's

    • Onderpresteren
    • Herkennen onderpresteren
    • Oorzaken van onderpresteren
    • Begeleidingsmogelijkheden bij onderpresteren
    • Peergroeponderwijs in relatie tot onderpresteren

    Wat kun je na deze module?

    • Je kunt de verschillende (inter)nationale definities van onderpresteren bij (hoog)begaafde leerlingen relateren aan de visie van de eigen beroepspraktijk en je kunt op grond daarvan een passend onderwijsaanbod, onderbouwd vanuit mogelijke oorzaken, effectieve interventies, en kansen en belemmeringen in de ecologie op zorgniveau 2,3 en/of 4 organiseren en evalueren.

  • ► DOMEIN: BEGELEIDEN
    Klik op een van de onderstaande modules om de beschrijving weer te geven
  •   Module Coaching op talentontwikkeling: visie op levensloopbanen (BLOB1A)

    Inhoud Coaching op talentontwikkeling: visie op levensloopbanen (BLOB1A)

    Deze module biedt een springplank om toekomstgericht les te geven in samen werken en samenleven. Dit vraagt om vooruit leren kijken: hoe ziet de wereld er morgen uit? Welke banen komen en gaan, wat betekent vergrijzing en ontgroening? Ben ik een robot? Is er werk voor iedereen?

    Het vereist een ontwikkelhouding gericht op brede vorming en verbinding met de omgeving: je permanent aanpassen aan verandering, open staan voor een nieuwe klus, job of partnerschap in professioneel handelen.

    Mensen, dus ook alle kinderen en jongeren, zijn geen potjes waarop een dekseltje past, maar kunnen in de loop van hun leven veranderen van identiteit, persoonlijk en professioneel. Ze leren door grenservaringen, bouwen zo aan hun biografie, hun levensverhaal, hun levensloop.

    Er is, naast kwalificatie, aandacht nodig – in alle lessen - voor persoonlijke en socialiserende vorming van leerlingen/studenten (Bildung). We willen ze leren om keuzes te maken, na te denken over jezelf (wie ben ik?), wat je boeit (wat wil ik?) en wat je talenten zijn (wat kan ik?). Leren je horizon te verruimen, de wereld is immers veelkleurig divers.

    In deze module gaat het om oog krijgen voor ‘life design’, levensloopbaanfitness: wat is jouw unieke verhaal? Hierbij komen metaforen en matching aan bod, maar ook toeval, de ongezochte vondst: serendipiteit, omdat je niet alles zelf in de hand hebt. We werken toe naar een visie die in je eigen praktijk doorvertaald kan worden in strategisch beleid en gemeenschappelijk perspectief ten aanzien van methodische begeleiding.

    Op basis van theorie, uitwisseling van ervaringen, praktijkvragen en telkens wisselende perspectieven bouw je samen aan een gefundeerde visie op talentontwikkelingsgerichte begeleiding.

    Thema's

    • Matching als perspectief
    • Ontwikkeling en leerproces als perspectief
    • Beslissen als perspectief
    • Maatschappij als perspectief
    • Je biografisch verhaal
    • Je leven als onderneming

    Wat kun je na deze module?

    Je kunt je eigen biografische levensloop analyseren op gemaakte keuzes en belemmerende en bevorderende factoren hierbij. Je kunt je visie op talentontwikkeling onderbouwd verwoorden. Vanuit kennis en visie kun je je doelgroep begeleiden en coachen bij hun talentontwikkeling/leer-loopbaan. Je bent in staat kritisch maar ook waarderend vanuit meerdere perspectieven aan te geven hoe deze visie in je praktijk vorm en inhoud kan krijgen.

  •   Module Levensloopbaanbegeleiding: regie en eigenaarschap (BLOB2B)

    Inhoud Module Levensloopbaanbegeleiding: regie en eigenaarschap (BLOB2B)

    Iedereen heeft talenten, maar je hebt zelfvertrouwen en ‘eigenaarschap’ nodig om de beste versie van jezelf te worden. Dat betekent voor het onderwijs: bevorderen van het gebruik van eigen kracht en talenten en leren denken in mogelijkheden en kansen. Uitgangspunt is dat iedereen een herstel-ondersteunend vermogen heeft en kan leren de eigen veerkracht aan te spreken. Dat begint al bij de jongste kinderen en geldt voor iedereen met of zonder (zichtbare) beperkingen, met of zonder bijzonder ondersteuningsbehoeften. Ofwel: werken aan levenslang ontwikkelen.

    Dit vraagt om een dialoog, wat betekent ‘gekend en gehoord worden’. We noemen dit levensloopbaancommunicatie. Om vanuit een gemeenschappelijke visie te komen tot schoolbreed gedragen methodische begeleiding is een beargumenteerde inzet van hulpmiddelen, instrumenten en methodieken vereist. Maar ook jezelf (als professional) de vraag stellen wat nodig is om dit te leren. Denk daarbij aan:

    • Het ondersteunen van leerlingen/studenten bij het ontwikkelen van innovatieve en ondernemende vaardigheden.
    • Het ondersteunen van leerlingen/studenten bij het werken aan het eigen talentprofiel en portfolio en daarmee hun profilering.
    • Het aanreiken van aanvullende instrumenten en methodieken aan leerlingen/studenten om hun aanpassingsvermogen en arbeidsidentiteit te versterken (empowerment) en zo hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

    Op basis van theorie, uitwisseling van ervaringen, praktijkvragen en telkens wisselende perspectieven bouw je samen aan eigenaarschap bij gebruik van loopbaanmethodieken, -modellen en –systemen.

    Thema's

    • Identiteit en persoonlijkheid
    • Cognitieve verwerking van informatie gericht op doorstroming
    • Planning en besluitvorming: keuzestijlen
    • Instrument-/methodiekgebruik vanuit actuele invalshoeken

    Wat kun je na deze module?

    Mede dankzij de onderlinge uitwisseling van ervaringen met methodieken en instrumenten ben je in staat een beargumenteerde keuze te maken uit een scala van mogelijkheden. Je kunt methodes of instrumenten diepgaand analyseren op bruikbaarheid binnen jouw praktijk. Je kunt een vergelijkende analyse maken uit aangereikte en zelf gezochte materialen.

  •   Module Professionele levensloopbaanbegeleiding in een veranderende samenleving (BLOB4B)

    Inhoud Professionele levensloopbaanbegeleiding in een veranderende samenleving (BLOB4B)

    Wat doet een loopbaanprofessional eigenlijk? Welk beeld hebben we zelf van een loopbaanprofessional en hoe kijkt ‘men’ tegen ons aan? Er circuleren verschillende benamingen zoals bijvoorbeeld decaan, mentor, coach, stagebegeleider, studieloopbaanbegeleider, studiegroepbegeleider, arbeidsbemiddelaar, jobcoach. Titels waarvan niet altijd duidelijk is in hoeverre het takenpakket overlap of juist witte vlekken, onbekend gebied, vertoont.

    In deze module gaan we dieper in op deze rollen, functies en taken. Je onderzoekt welke personen, partijen, organisaties relevant zijn bij het begeleiden naar (vervolg)opleidingen, werk en betekenisvol burgerschap. We analyseren welke eisen en gedragscodes vanuit de overheid en diverse beroepsverenigingen aan loopbaanprofessionals gesteld worden. Dit leggen we naast de in de eigen praktijk geformuleerde profielen. De groep functioneert in dit proces als een professionele leergemeenschap.

    Centraal staat de regie van de loopbaanprofessional op de eigen ontwikkeling bij het begeleiden van jongeren naar zelfsturing in opleidingen, loopbaan- en werkkeuzes, maar ook in life- design en betekenisvol burgerschap. Daarnaast zoeken we naar manieren om onze expertise meer bekendheid te geven door het verzamelen van bewijzen voor wat werkt.

    Je betrekt hierin internationale onderzoeksliteratuur ter onderbouwing van gewenste (toekomstige) ontwikkelhouding, vaardigheid, inzicht en kennis. Op basis van de onderlinge uitwisseling van profielen reflecteer je op wat bijdraagt aan het actualiseren en optimaliseren van je professionele identiteit als loopbaan-’expert’.

    Thema's

    • Innovatie onderwijs-zorg-arbeid
    • Participatief, relationeel burgerschap
    • Duurzame inzetbaarheid, duurzame samenleving
    • Het nieuwe onderwijs en nieuwe werken
    • Innovatief ondernemerschap
    • Arbeidsmarktperspectief, ontwikkelingen
    • Jobcrafting, job engineering, job creation
    • Eisen competent gedrag loopbaanprofessionals & competentiescans
    • Verkennen en versterken van eigen netwerk

    Wat kun je na deze module?

    Je kunt op basis van eisen die er gesteld worden aan begeleiders op het gebied van (studie)loopbaan, arbeidsparticipatie en/of betekenisvol burgerschap een inschatting maken van je eigen competenties op dit gebied. Je kunt een visie vormen ten aanzien van gewenste houding en vaardigheden binnen je eigen context en netwerk. Op basis daarvan formuleer je eigen leer- en ontwikkelingsdoelen en stappen.

  •   Module Beeldbegeleiding en interactie analyse (BBBO1A)

    Inhoud Module Beeldbegeleiding en interactie analyse (BBBO1A)

    In deze module maak je kennis met de kaders van Beeldbegeleiding (BB); basisinteractie principes voor geslaagde communicatie, interactieanalyse en onderliggende theorieën. De methode beeldbegeleiding is afgeleid van de systeemtheorie, die gedrag benadert vanuit interacties, groepsdynamica en elkaar beïnvloedende factoren. Met de camera wordt interactie in beeld gebracht en worden patronen geanalyseerd.

    Deze module sluit aan bij iedere beroepscontexten en kent een diversiteit aan toepassingsmogelijkheden. De module is te integreren met alle modules uit gedrag, leren en begeleiden.

    Er wordt van je verwacht dat je reflectief onderzoekend kennis ontwikkelt, wat je vertaalt naar praktijk en professie en verwerkt in de triade. Video interactie analyse speelt een belangrijke rol, waarvoor je korte (film)opnamen maakt in je eigen praktijk. De module wordt afgesloten met het interactief delen van beelden in beeldbegeleiding, waarbij je de triade integreert.

    Thema's

    • Methodische kaders beeldbegeleiding
    • Kennisbasis beeldbegeleiding: hechtingstheorie, systeemtheorie, interactie- en communicatietheorie.
    • Interactie analysevaardigheden met video interactie analyse (VIA)
    • Betekenis verlening aan beeldbegeleiding in je praktijk
    • Waardenoriëntatie en beeldbegeleiding: ethisch- en ecologisch verantwoord handelen vanuit persoonlijke opvattingen

    Wat kun je na deze module?

    Na afloop van deze module heb je verdiepte kennis en vaardigheden ontwikkeld in beeldbegeleiding.

  •   Module Begeleiderscommunicatie bij beeldbegeleiding (BBBO2A)

    Inhoud Module Begeleiderscommunicatie bij beeldbegeleiding (BBBO2A)

    Beeldbegeleiding is een begeleidingsmethodiek voor leraren, teams en leerlingen, gericht op het bevorderen van handelingsbekwaamheden in de praktijk, vanuit een systeembenadering. Je leert aan de hand van beelden beroepspraktijken te analyseren op interactie-effecten tussen ‘professional – leerling(en) en het doel in de context’. In deze module ligt het accent op de ontwikkeling van je begeleiderscommunicatie en –vaardigheden met beelden.

    Je oriënteert op theorieën en begeleidingsmethodieken bij beeldbegeleiding, in groepsdynamica, systeem- en interactietheorie en reflectie, waaruit je voor jezelf een keuze maakt om kennis te ontwikkelen als beeldbegeleider. Je maakt kennis met meerdere reflectie theorieën en –technieken en gaat hier actief mee aan de slag in je eigen praktijk. Je maakt beeldopnamen van je eigen begeleiderscommunicatie in interactie met anderen. Vanuit beeldanalyse maak je de integratie tussen theorie, praktijk en persoon in de triade. In de laatste bijeenkomst geef je een korte beeldpresentatie en video interactie analyse in samenwerking met enkele studenten en kom je tot interactief kennis delen en leren met elkaar.

    Thema's

    • Beeldbegeleiding, begeleiderscommunicatie en interactie analyse
    • Reflectief leren, reflectietechnieken en beeldbegeleiding
    • Ondersteunende- en niet ondersteunende begeleiderscommunicatie
    • Authentiek functioneren en beeldbegeleiding
    • Actuele onderzoeken en internationale oriëntatie in beeldbegeleiding

    Wat kun je na deze module?

    Na afloop van deze module heb je kennis en vaardigheden ontwikkeld in begeleiderscommunicatie en beeldbegeleiding. Je kunt vanuit (zelf)reflectie bewustzijn ontwikkelen op het professionele handelen van jezelf en anderen. Je hebt voor jezelf als beeldbegeleider kennis geconstrueerd waarmee je aan de slag kunt in je praktijk. Je weet je begeleiderscommunicatie en je rol als beeldbegeleider te onderbouwen met professionele waarden.

  •   Module Beeldbegeleiding en planmatig begeleiden (BBBO3A)

    Inhoud Module Beeldbegeleiding en planmatig begeleiden (BBBO3A)

    Beeldbegeleiding is een begeleidingsmethodiek voor leraren, teams en leerlingen, die gericht is op het ontwikkelen van handelingsbekwaamheden van leerlingen en professionals in de beroepspraktijk. In deze module worden kaders aangereikt voor het ‘planmatig begeleiden’ in beeldbegeleiding. Je maakt een koppeling met een thema uit je praktijk, waarin je een kort traject planmatig begeleiden uitvoert. Per bijeenkomst worden thema’s aangereikt, die gerelateerd zijn aan planmatig begeleiden met beeld, zoals: planmatig begeleiden met beelden van leraar, leerling(en) of leerteams, beelden en het ondersteunen bij leren, teamleren, beeldbegeleiding met leerlingen.

    Na iedere bijeenkomst ga je actief aan de slag met beeldbegeleiding in je praktijk, de uitwerking van video interactie analyses en de integratie ervan in de triade. In de laatste bijeenkomst geef je een presentatie van planmatig begeleiden met beeld in de triade.

    Thema's

    • Beeldbegeleiding en handelingscategorieën adaptief onderwijs
    • Beeldbegeleiding: oplossings-, handelings- en opbrengstgericht
    • Beeldbegeleiding en het bevorderen van pedagogisch handelen
    • Begeleidingstrajecten met leerlingen met beeldbegeleiding
    • Teamprofessionalisering, begeleide intervisie met beeldbegeleiding
    • Planmatig begeleiden met beelden en multi-method coaching
    • Beeldbegeleiding in breder perspectief

    Wat kun je na deze module?

    Aan het einde van deze module heb je kennis en vaardigheden in planmatig begeleiden met beelden. Je weet de theorie te koppelen aan de praktijk en hebt voor jezelf kennis ontwikkeld die betekenisvol is voor je praktijk- en professionele ontwikkeling.

  •   Module Communicatie binnen begeleidingsprocessen (BCOM1A)

    Module Communicatie binnen begeleidingsprocessen (BCOM1A)

    Communicatie is een wezenlijk onderdeel van je vak als professional. Je bent voortdurend in interactie met collega’s, leerlingen en andere betrokkenen. Je kunt niet niet-communiceren: ook als je niets zegt breng je een boodschap over.

    In de module maak je kennis met diverse communicatieprincipes, theorieën, methodieken en instrumenten. Je wordt uitgedaagd om je bewust te worden van je eigen communicatiestijl, je keuzes en de gevolgen daarvan voor je interactie met anderen. Effecten van taal- en woordkeus komen aan de orde, evenals nonverbale communicatie. Ook verkennen we hoe je met ‘beeldtaal’, in schema’s, overzichten en plaatjes aan anderen een boodschap overbrengt.

    Er is aandacht voor specifieke vormen van communicatie zoals interculturele en geweldloze communicatie.

    De gewenste opbrengst van deze module is dat je in staat bent om op uitvoerings- en metaniveau je eigen communicatieve processen aan te sturen en hierop te reflecteren. Er is een voortdurende koppeling tussen theorie, praktijk en persoon, met per bijeenkomst concrete opdrachten. We verwachten een (pro)actieve, (zelf)onderzoekende houding met een respectvolle attitude en ethisch handelen. Beeldopnamen maken van je eigen communicatie in de beroepscontext behoort tot de mogelijkheden.

    Thema's

    • Communicatietheorieën en -vaardigheden binnen begeleidingsprocessen
    • De kracht van taal en woordkeus
    • Effecten van verbale en non verbale communicatie
    • De kracht van beeldtaal
    • Interculturele en geweldloze communicatie

    Wat kun je na deze module?

    Aan het einde van deze module heb je voor jezelf een betekenisvol kader ontworpen voor theoretische en praktische kennis rondom communicatieprocessen die je binnen jouw werkcontext tegenkomt.


  •   Module Coaching binnen begeleidingsprocessen (BCOA1)

    Inhoud Module Coaching binnen begeleidingsprocessen (BCOA1)

    Coaching is een breed begrip, waarmee velerlei begeleidingsactiviteiten met collega’s en/of leerlingen worden aangeduid. Tijdens deze module gaan we allereerst in op het begrip ‘coaching’ en we plaatsen dit binnen het bredere kader van begeleiding. Rolneming en mandaat krijgen daarbij een plek.

    Vervolgens nemen we coaching nader onder de loep. Je ontdekt welke persoonlijke coachingsstijlen er zoal bestaan, welke stijl bij jou als professional past én welke stijl in welke praktijksituatie het meest van toepassing is.

    Coaching kan vanuit diverse uitgangspunten vorm krijgen. We leggen verschillende manieren om te coachen naast elkaar en vergelijken deze op toepasbaarheid. Daarbij is er ook aandacht voor oplossingsgericht coachen.

    De gewenste opbrengst van deze module is dat je in staat bent om anderen in je professionele context op gepaste wijze te begeleiden en dat je daarbij bewust keuzes in je handelen kunt sturen. Er is een voortdurende koppeling tussen theorie, praktijk en persoon. We gaan uit van een (pro)actieve, (zelf)onderzoekende houding, een respectvolle attitude en ethisch handelen. Beeldopnamen maken van je eigen begeleidingsactiviteiten in de beroepscontext behoort tot de mogelijkheden.

    Thema's

    • Coaching geplaatst binnen het continuüm van begeleidingsprocessen
    • Rolneming en mandaat van een coach bij begeleidingsprocessen
    • Coachingsstijlen en persoonlijke voorkeuren
    • Diverse coachingsbenaderingen, waaronder oplossingsgericht coachen

    Wat kun je na deze module?

    Aan het einde van deze module heb je helder welke coachingsstijl bij jou als professional past, en welke manier van coachen past binnen diverse praktijksituaties die je tegenkomt in jouw werkcontext.

  •   Module Leiderschap in onderwijs (BLEI1)

    Inhoud Module Leiderschap in onderwijs (BLEI1)

    Binnen schoolorganisaties is er in toenemende mate sprake van ‘gespreid’ leiderschap. Een ieder kan vanuit expertise en bezieling werken aan verbetering van het lerend vermogen van een school. Samen werken vanuit een gezamenlijk gedragen visie is van belang om onderwijsprocessen duurzaam te kunnen optimaliseren.

    In deze module leer je hoe je vanuit een (bege)leidende taak of rol richting en sturing kunt geven aan kwaliteitsverbetering van het onderwijs binnen je eigen schoolorganisatie. Het vormen van een professionele leergemeenschap staat hierbij centraal.

    Het uitgangspunt is binnen je eigen organisatie toe te werken naar een lerende kwaliteitscultuur waarin beslissingen worden gebaseerd op systematisch verzamelde data. Door dit systematisch te doen kan een PDCA-cyclus worden gerealiseerd waar iedereen in de organisatie verantwoordelijkheid neemt en hierop aanspreekbaar is vanuit eigenaarschap voor die kwaliteit. De wereld om de school wordt ook betrokken bij de kwaliteitscultuur, waarbij het van belang is af te stemmen en samen te werken binnen de bredere contexten en dynamische netwerken waar hedendaagse schoolorganisaties zich in bewegen

    Je leert hoe je leiderschap kunt vormgeven waarbij je je baseert op heldere kaders, en je tegelijkertijd maximaal afstemt op individuele talenten, professionele autonomie en diversiteit van collega’s.

    Deze module is zowel geschikt voor studenten met een formele leidersrol als voor studenten die zich op het gebied van leidinggeven (willen) bewegen op alle lagen van de schoolorganisatie.

    Thema's

    • Leidinggeven aan professionele leergemeenschappen
    • Visie, missie en beleid
    • Werken met een onderzoekscultuur met oog voor kwaliteitsmanagement
    • Samenwerken in dynamische contexten en (leer)netwerken

    Wat kun je na deze module?

    • Je maakt vanuit eigen positie en rol een onderbouwde keuze uit diverse leiderschapsstrategieën, afgestemd op de dynamiek van je werkcontext.
    • Je draagt bij aan het creëren van een kwaliteitscultuur passend bij de schoolontwikkelingsfase waarin jouw schoolorganisatie als professionele leergemeenschap zich bevindt.

  •   Module Begeleiden van veranderingsprocessen (BLEI2)

    Inhoud Module Begeleiden van veranderingsprocessen (BLEI2)

    De maatschappij verandert in rap tempo, en het onderwijs verandert mee. Als onderwijsprofessional heb je daar ongetwijfeld mee te maken.

    In deze module gaan we in op de dynamieken bij veranderingsprocessen. Hoe komt het dat de ene collega in hoog tempo voorop loopt, en de andere collega de hakken in het zand zet? Hoe kijk je zelf aan tegen veranderingsprocessen, en wat kun jij daarin als ‘teacher leader’ en ‘change agent’ betekenen? Hoe kun je als team samen veranderingsprocessen vormgeven, en daarbij als team groeien? Wat is de verandercultuur in jouw werkcontext, en hoe kun je daarmee omgaan? Hoe kun je veranderingsprocessen op een positieve en waarderende manier benaderen?

    Het doel van deze module is kennis over veranderingsprocessen binnen onderwijsorganisaties te verbinden met de context van je eigen praktijk. In de loop van de module bouw je aan een eigen werktheorie over wat past bij wie jij bent als onderwijsprofessional en wat in jouw onderwijsorganisatie nodig is.

    Deze module is nuttig voor alle onderwijsprofessionals. Iedereen is immers, op welke wijze dan ook, voortdurend betrokken bij veranderingen. Door middel van deze module leer je welke plek je daar zelf in hebt, wat jouw visie is ten aanzien van veranderen en hoe je daar in de praktijk vorm aan kunt geven.

    Thema's

    • Visies op veranderen en veranderculturen
    • Fasen in veranderingsprocessen en teamvorming
    • Betrokkenheid en weerstand
    • Waarderend veranderen

    Wat kun je na deze module?

    Je begrijpt de dynamieken bij veranderingsprocessen in schoolorganisaties, en je hebt handvatten ontwikkeld om proactief je rol te nemen om hier als team samen vorm aan te geven.

  •   Module Persoonlijk leiderschap (BLEI3)

    Inhoud Module Persoonlijk leiderschap (BLEI3)

    Als onderwijsprofessional werk je in een complex en snel veranderend werkveld. ‘Standaard’ oplossingen zijn zelden voorhanden. Elke dag opnieuw sta je voor keuzes: doe ik het goede en doe ik dat goed (genoeg)?

    Professioneel handelen veronderstelt dat je je handelen kunt verantwoorden naar jezelf, maar ook dat je daar op aanspreekbaar bent door anderen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan ouders, collega’s, je organisatie, de beroepsgroep. In deze module wordt stilgestaan bij jouw persoonlijke opvatting in je professioneel handelen. Welke waarden zijn voor jou belangrijk in de keuzes die je maakt? Hoe verhoud je je tot anderen? Welke dilemma’s kom je tegen en hoe ga je daar mee om? Hoe blijf je in balans? Professionele ruimte en eigenaarschap staan daarbij centraal. Jouw eigen concrete praktijkervaringen en de betekenis die je daaraan geeft staan op de voorgrond, waarbij je een koppeling maakt met passende theoretische concepten.

    Deze module kan een belangrijke bijdrage geven aan de ontwikkeling van jezelf als professional en daarmee ook aan jezelf als student in de opleiding tot master Educational Needs. Deze module is te integreren met alle overige modules binnen de domeinen Leren, Gedrag en Begeleiden. Er wordt geen specifieke voorkennis verondersteld. Er wordt van je gevraagd dat je bereid bent om concrete praktijkdilemma’s te delen en te bespreken met anderen.

    Thema's

    • Impliciete en expliciete waarden in jezelf en in je werkcontext
    • Dilemma’s, stilstaan en ‘slow thinking’
    • Professionele ruimte en eigenaarschap
    • Handvatten bij het omgaan met professionele dilemma’s

    Wat kun je na deze module?

    Je kunt dilemma’s die je tegenkomt in je eigen onderwijspraktijk op een professioneel onderbouwde wijze hanteren.

  •   Module Ouders en school (BOMG1)

    Inhoud Module Ouders en school (BOMG1)

    Kinderen mogen zich gelukkig prijzen dat zij ouders én leraren hebben die zich beiden bekommeren om hun ontwikkeling en welzijn. Ouders hebben met de invoering van Passend Onderwijs een belangrijke stem gekregen en moeten bijvoorbeeld actief betrokken zijn bij ontwikkelingsperspectiefplannen voor hun kind.

    Bovendien vraagt de wet Passend Onderwijs en de Jeugdwet een nieuwe manier van werken. Besluitvorming over kinderen wordt steeds meer in gezamenlijkheid genomen, waarbij ieders stem wordt gehoord. Tegelijkertijd is bekend dat veel leraren handelingsverlegenheid ervaren als het gaat om het werken met ouders. Met sommige ouders verloopt het contact moeizaam, terwijl dat dikwijls juist die ouders zijn die je hard nodig hebt.

    Binnen de Wet Passend Onderwijs wordt verwacht dat ondersteuningsplannen (OPP) in een op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met ouders plaats vinden. Leraren en ouders zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. Leraren zijn de professional in de relatie met ouders en van hen mag dan ook verwacht worden dat zij de regie nemen in het samenwerken, dat zij weten hoe te handelen, wie erbij te betrekken en hoe, en dat zij, ook als het lastig wordt, zich professioneel blijven inzetten in het samenwerken. Dat vraagt nogal wat van hen: vermogen en durf om de regierol te nemen in het samenwerken met ouders; inzicht in de eigen expertise en toegevoegde waarde van die van ouders; vermogen om relaties aan te gaan en samen te werken ook als er sprake is van verschillen in professioneel niveau en van hiërarchieverschil; vermogen om een vertrouwensrelatie op te bouwen met ouders, ook als dat niet vanzelf gaat; inzicht in de stappen die gezet moeten worden als je wilt samenwerken.

    Thema's

    • (Culturele) diversiteit in communicatie met ouders
    • Educatief partnerschap en ouderbeleid
    • Eigen (professionele) rol en positie bepaling: grondhouding, kernwaarden en attitude
    • Loyaliteiten ouder-kind-leerkracht-school
    • Verscheidene achtergronden van ouders o.a. pleegouders, adoptieouders, ouders met verslavingsproblematiek, ouders met psychische problematiek

    Wat kun je na deze module?

    Je weet diverse oudercontacten vorm te geven vanuit gedeelde verantwoordelijkheid, en je kunt een bijdrage leveren aan het beleid van je organisatie voor wat betreft educatief partnerschap.

  •   Module Interprofessioneel handelen (BOMG2A)

    Inhoud Module Interprofessioneel handelen (BOMG2A)

    Leraren werken steeds meer samen. Niet alleen met collega’s binnen of buiten de eigen school, maar ook met andere disciplines. Wetten als Passend Onderwijs (2014), de Jeugdwet (2015), de Participatiewet (2015), de Wet Sociale Veiligheid (2016) vereisen dat er in het onderwijs wordt samengewerkt met jeugdhulp, het bedrijfsleven en gemeentes. Deze wetten vragen tevens dat er meer gewerkt wordt vanuit de eigen kracht van kinderen, jongeren en opvoeders en dat er meer preventief gewerkt wordt.

    Een dergelijke manier van samenwerken levert zeker kansen op, maar is complex en blijkt in de praktijk nog lastig. Professionals kennen elkaar nog onvoldoende, spreken elkaars taal nog niet, weten niet wat een andere discipline kan toevoegen en dikwijls evenmin wat de toegevoegde waarde van de eigen discipline precies inhoudt.

    Leraren spelen in het samenwerkingsproces een belangrijke rol. Leraren hebben een band met hun leerlingen en hebben bovendien specifieke expertise op het gebied van leerprocessen, motivatie, groepsprocessen en preventief werken. Zij kunnen de regie nemen en eraan bijdragen dat het sociaal kapitaal van alle betrokkenen benut wordt. Dat vraagt van hen dat zij bereid en in staat zijn om zich buiten hun eigen domein te begeven, dat zij als het ware over de grenzen van hun eigen beroep stappen, benieuwd zijn naar wat anderen kunnen bijdragen. Dat vraagt moed, durf, creativiteit, zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid. Het vraagt tevens dat zij inzicht hebben in samenwerkingsprocessen en zich in dat samenwerken weten te positioneren.

    In deze module komen vragen aan bod als: Wat zijn ieders taken, rollen en verantwoordelijkheden? Hoe liggen de verhoudingen als professionals uit verschillende disciplines elkaar ontmoeten? Welke inbreng kan je als leraar hebben? Wat kunnen anderen betekenen voor jouw werk?

    Thema's

    • Transitie Jeugdzorg, de WMO en wijzigingen in de AWBZ
    • Werkwijze van samenwerkende partners rond de school ten behoeve van de optimalisering van de ontwikkelingskansen van leerlingen
    • Rollen en verantwoordelijkheden van een ieder in deze structuren en organisaties
    • Lokaliseren van interpersoonlijke dynamieken binnen samenwerkingsrelaties
    • Dialoog als een kritisch onderzoeksgesprek
    • Passende interventies die de samenwerkingsrelatie bevorderen

    Wat kun je na deze module?

    Je bent in staat om op professionele wijze een samenwerkingsrelatie aan te gaan met externe partners.

  •   Module Planmatig werken aan ondersteuningsstructuren (BOMG3B)

    Inhoud Module Planmatig werken aan ondersteuningsstructuren (BOMG3B)

    De kern van deze module is hoe je in jouw werkcontext een duurzame bijdrage kunt leveren aan een ondersteuningsstructuur die de ontwikkeling van alle leerlingen waarborgt. De complexe ondersteuningsbehoeften van een of meerdere leerlingen centraal stellend, onderzoek je met alle betrokkenen vanuit het ecologisch systeem van de leerling hoe er in de onmiddellijke omgeving snel en efficiënt ondersteuning geboden kan worden.

    Daartoe verkennen we allereerst de uitgangspunten, het nut en de noodzaak van duurzame praktijkverbetering. Je maakt kennis met verschillende paradigma’s en visies met betrekking tot innovatie en procesverbetering.

    Je verdiept je in bestaande vormen van systematische praktijkverbetering zoals HGW, OGW en Kai Zen.

    We gaan in op de achterliggende principes bij Passend Onderwijs en wat deze kunnen betekenen voor een betekenisvolle inrichting van ondersteuningsstructuren in jouw werkcontext. Je verdiept je in het bestaande continuüm van zorg dat in het kader van Passend Onderwijs in jouw werkcontext gerealiseerd is. Daarbij komen onder andere begrippen als passend arrangeren, het ondersteuningsplan (OP), het schoolondersteuningsprofiel (SOP) en het ontwikkelingsperspectief (OPP) aan bod.

    Je komt in interactie met medestudenten tot overeenkomsten en verschillen in ondersteuningsstructuren en formuleert verbeterpunten voor jouw werkcontext.

    Thema's

    • Systematische en duurzame praktijkverbetering
    • Ondersteuningsstructuren
    • Wettelijke kaders, uitgangspunten en principes van Passend Onderwijs
    • Continuüm van zorg en passend arrangeren
    • Ondersteuningsplan (OP), schoolondersteuningsprofiel (SOP) en ontwikkelingsperspectief (OPP)

    Wat kun je na deze module?

    Je bent in staat om een bijdrage te leveren aan het duurzaam / structureel verbeteren van betekenisvolle ondersteuningsstructuren in jouw werkcontext.

  •   Module Principes van oplossingsgericht denken (BPOD1)

    Inhoud Module Principes van oplossingsgericht denken (BPOD1)

    In deze module maak je kennis met het conceptuele denkkader van het oplossingsgerichte gedachtegoed. Dit gedachtegoed wordt in verband gebracht met theorieën rondom positieve psychologie als onderliggend concept.

    De oplossingsgerichte aanpak schenkt geen aandacht aan het repareren van tekorten of beperkingen. Ze concentreert zich op ‘datgene wat werkt’ en het zelf (opnieuw) keuzes kunnen maken. In de module wordt ingegaan op de betekenis daarvan op micro-, meso- en macroniveau. Het doel van deze module is dat je kennis hebt opgedaan over de principes achter het oplossingsgerichte gedachtegoed en de rol van de positieve psychologie daarin en deze kritisch kunt beschouwen binnen eigen contexten.

    Je kunt deze kennis vanuit jouw eigen visie verbinden aan eigen werkmodellen en leert enkele toepassingsmogelijkheden in jouw eigen praktijk op hun gebruikswaarde te schatten.

    Thema's

    • Probleemgericht / oplossingsgericht denken
    • Benaderingen binnen de positieve psychologie
    • Basisprincipes van het oplossingsgerichte gedachtegoed
    • Diverse praktische toepassingsmogelijkheden

    Wat kun je na deze module?

    Je hebt je houding bepaald ten opzichte van het oplossingsgerichte gedachtegoed op basis van theorie en onderzoeksresultaten. Je kunt een onderbouwde keuze maken in het toepassen van basisinterventies en programma’s.

  • ► ALGEMENE MODULES

    Klik op een van de onderstaande modules om de beschrijving weer te geven

  •   Module Neuropsychologie 1 (NEU1)

    Inhoud Module Neuropsychologie 1 (NEU1)

    Gedrag en leerprestaties van de mens worden bepaald door de werking en de informatieverwerking van de hersenen. Als leerkracht heb je in je werk dagelijks te maken met aspecten van informatieverwerking, zoals aandacht, geheugen, taalontwikkeling, prikkelgevoeligheid, planning, motivatie en emoties. Soms zal dit expliciet aan de orde zijn wanneer er sprake is van een neuropsychologische problematiek, meestal is het impliciet aan de orde wanneer je bijvoorbeeld inzoomt op de leerstijl van leerlingen. De hersenen ontwikkelen zich aan de hand van de omgeving (‘Context shapes the brain’). Zowel biologische factoren als psychologische, sociale en culturele factoren zijn belangrijk voor deze ontwikkeling, dus prikkels uit de omgeving zijn uiteindelijk bepalend voor de hersenrijping. Dat betekent dat je als leerkracht invloed uit kunt oefenen. Welke invloed is dat dan? Daarvoor is het eerst nodig inzicht te hebben op de werking van de delen van de hersenen. We bekijken de hersenen naar opbouw, de functiegebieden, de samenwerking tussen deze gebieden en naar mogelijke hersenfunctiestoornissen. Daarnaast kijken we naar de consequenties van het (dis)functioneren van de hersenen voor het onderwijs, maar zeker ook naar de mogelijkheden die we hebben in het onderwijs om gebruik te maken van de kracht van het brein. Tijdens de bijeenkomsten wordt naast theorie gebruik gemaakt van ervaringen en vragen van studenten en wordt een beroep gedaan op je reflectief-onderzoekende houding. Voorbereiding op de bijeenkomsten maakt de leerervaring rijker. Er wordt van je gevraagd je eigen praktijk in te brengen. In deze module proberen we het gedrag en het leren van kinderen op neuropsychologische wijze te verklaren, te begrijpen en te kunnen gebruiken.

    Thema's

    • Inleiding neuropsychologie: lokalisatie, werking en ontwikkeling hersenen.
    • Cognitie, intelligentie, mentale ontwikkeling
    • Aandacht, concentratie en motivatie
    • Executieve functies

    Wat kun je na deze module?

    • Inleiding neuropsychologie: lokalisatie, werking en ontwikkeling hersenen;
    • Cognitie, intelligentie, mentale ontwikkeling;
    • Aandacht, concentratie en motivatie;
    • Executieve functies

  •   Module Neuropsychologie 2 (NEU2)

    Inhoud Module Neuropsychologie 2 (NEU2)

    Gedrag en leerprestaties van de mens worden bepaald door de werking en de informatieverwerking van de hersenen. Als leerkracht heb je in je werk dagelijks te maken met aspecten van informatieverwerking, zoals aandacht, geheugen, taalontwikkeling, prikkelgevoeligheid, planning, motivatie en emoties. Soms zal dit expliciet aan de orde zijn wanneer er sprake is van een neuropsychologische problematiek, meestal is het impliciet aan de orde wanneer je bijvoorbeeld inzoomt op de leerstijl van leerlingen. De hersenen ontwikkelen zich aan de hand van de omgeving (‘Context shapes the brain’). Zowel biologische factoren als psychologische, sociale en culturele factoren zijn belangrijk voor deze ontwikkeling, dus ook prikkels uit de omgeving zijn uiteindelijk bepalend voor de ontwikkeling van de hersenen en de functies. Dat betekent dat je als leerkracht invloed uit kunt oefenen. Welke invloed is dat dan? In deze module kijken we naar enkele specifieke functies van de hersenen en op welke wijze deze een rol spelen binnen ons onderwijs. We kijken naar de consequenties van het (dis)functioneren van de hersenen voor het onderwijs, maar zeker ook naar de mogelijkheden die we hebben in het onderwijs om gebruik te maken van de kracht van het brein. Tijdens de bijeenkomsten wordt naast theorie gebruik gemaakt van ervaringen en vragen van studenten en wordt een beroep gedaan op je reflectief-onderzoekende houding. Voorbereiding op de bijeenkomsten maakt de leerervaring rijker. Er wordt van je gevraagd je eigen praktijk in te brengen. In deze module proberen we het gedrag en het leren van kinderen op neuropsychologische wijze te verklaren, te begrijpen en te kunnen gebruiken.

    Thema's

    • Geheugen en werkgeheugen.
    • Emotie, vrees en sociale informatieverwerking.
    • Perceptie en informatieverwerking
    • Ruimtelijke cognitie en (psycho)motoriek

    Wat kun je na deze module?

    • een ontwikkelingsperspectief herkennen en koppelen aan de cognitieve en motorische
    ontwikkeling én aan de persoonlijkheidsontwikkeling;
    • een inschatting maken van de sociaal cognitieve vaardigheden bij het begeleiden van de voor
    afstemming op de sociale omgeving;
    • kun je kennis over waarneming en sensorische systemen inzetten bij
    ondersteuningsbehoeften.

  •   Module Betekenisvol onderwijs voor de toekomst 1 (BOT1)

    Inhoud Module Betekenisvol onderwijs voor de toekomst 1 (BOT1)

    Hoe kunnen we onze leerlingen voorbereiden op een toekomst waarvan niemand weet hoe die er uitziet? Dat is een belangrijke vraag waar het hedendaagse onderwijs zich in deze snel veranderende maatschappij voor geplaatst ziet. We willen dat onze leerlingen leren omgaan met de uitdagingen die ze in hun latere leven tegenkomen, maar wat hebben ze daarvoor nodig en hoe kunnen we ons onderwijs daartoe inrichten?

    We verkennen in deze module diverse gedachtegangen rondom onderwijs voor de toekomst, waarmee je je eigen visie kunt aanscherpen en aanknopingspunten kunt vinden voor je eigen praktijk. Je beschouwt daarbij kritisch wat er écht nieuw is, en wat er wellicht wordt ‘herontdekt’. We bekijken ook de manier waarop de overheid momenteel meedenkt in het vormgeven van een nieuw curriculum, en we gaan in op ontwerpprincipes die je nu al kunt toepassen. Daarbij komen onder andere begrippen als eigenaarschap, zelfregulatie, samenwerken en formatief evalueren aan de orde.

    Thema's

    • Onderwijsstromingen
    • Onderwijsdoelen
    • Onderwijsevaluatie
    • Curriculumvernieuwing

    Wat kun je na deze module?

    Na het volgen van deze module heb je een voor jou passende visie ontwikkeld op betekenisvol onderwijs voor de toekomst, en weet je hoe je je eigen onderwijs daarop kunt inrichten.

  •   Module Betekenisvol onderwijs voor de toekomst 2 (BOT2)

    Inhoud Module Betekenisvol onderwijs voor de toekomst 2 (BOT2)

    Betekenisvol onderwijs voor de toekomst is onlosmakelijk verbonden met de technologie van de toekomst en de veranderingen die het teweeg brengt. De technologische ontwikkelingen van de laatste tientallen jaren hebben grote invloed op de samenleving; robots, ‘big data’, ‘artificial intelligence’ worden steeds belangrijker. De automatisering neemt toe en heeft invloed op de banenmarkt en het uitvoeren van werk. Beroepen veranderen met deze technologische ontwikkelingen en vragen om andere kennis en vaardigheden. Ook het gebruik van technologie in het dagelijks leven neemt enorm toe. Auto’s en huizen worden voorzien van slimme technologie. Het ‘internet of everything’ brengt de technologie letterlijk in huis. En misschien wel de grootste verandering is de invloed die technologie heeft op de communicatie van de mens. Aandacht in het hedendaags onderwijs voor deze toenemende technologische veranderingen is noodzakelijk om leerlingen te begeleiden in het begrijpen van een wereld waarin we steeds meer digitaal leven, leren en werken.

    We verkennen de mogelijkheden om succesvol tot toekomstgericht onderwijs te komen, waarin het leren van de leerling vanuit onderzoekend en/of ontdekkend leren een belangrijke rol speelt. We gaan op zoek naar mogelijkheden in onze eigen praktijk om een ander soort leeromgeving in te richten waarin meer aandacht is voor de ‘softskills’ zoals kritisch denken en probleemoplossend vermogen in samenhang met de andere 21e eeuwse vaardigheden. We verkennen, vanuit de ontwikkelingen in de samenleving van de toekomst, de mogelijkheden om de ‘digitale geletterdheid’ van onze leerlingen te versterken, vanuit aandacht voor programmeertalen, het omgaan met nieuwe technologieën en het kunnen toepassen van ‘computational thinking’.

    Thema's

    • Technologische ontwikkelingen in leven, werken en leren
    • Leren in de 21e eeuw
    • Digitale geletterdheid en ‘computational thinking’
    • Onderwijsinnovatie
    • Cognitieve en conatieve vaardigheden

    Wat kun je na deze module?

    Na het volgen van deze module heb je meer zicht op de mogelijkheden ontwikkeld om betekenisvol onderwijs voor de toekomst in te richten binnen het eigen werkveld, waarbij het onderwijs meer aansluit bij de technologische ontwikkelingen in de samenleving.

  •   Module Waarderen van verschillend (DIF1)

    Inhoud Module Waarderen van verschillend (DIF1)

    De wens en noodzaak om het onderwijs af te stemmen op verschillen tussen leerlingen zijn groter dan ooit. De Nederlandse overheid verwacht dat leraren in elk type onderwijs, onafhankelijk van niveau en context, aansluiten bij de specifieke ondersteuningsbehoeften van iedere leerling. In de visie en missie van vrijwel iedere school ligt de nadruk op talentontwikkeling, eigenaarschap, gepersonaliseerd leren of een andere term die verwijst naar de ontwikkeling van iedere individuele leerling. Nieuwe vormen van onderwijs ontstaan, maar het is niet altijd helder waarom een school kiest voor een specifieke vorm van maatwerk en vaak ontbreekt systematische evaluatie. Het uitgaan van verschillen vraagt complexe kennis en differentiatievaardigheden en een sterk bewustzijn van de eigen opvattingen en verwachtingen. In deze module wordt ingegaan op belangrijke maatschappelijke thema’s, zoals diversiteit en kansen(on)gelijkheid. Je leert een adequate leeromgeving te creëren waarin gewerkt wordt vanuit hoge verwachtingen van iedere leerling. Je verdiept je in belangrijke rollen die je als leraar vervult, als organisator, motivator, assessor en coach van het leerproces, gericht op de ontwikkeling van zelfsturing van leerlingen.

    Thema's

    • Diversiteit, differentiatie en instructiewijzen
    • Verwachtingen, onderwijsachterstanden en kansenongelijkheid
    • Krachtige leeromgeving: een goede basis voor alle leerlingen
    • Feedback en zelfsturing

    Wat kun je na deze module?

    Na deze module kun je
    • betekenis en inhoud geven aan belangrijke maatschappelijke thema’s als diversiteit, kansengelijkheid en onderwijs vanuit hoge verwachtingen;
    • je onderwijspraktijk (ortho)pedagogisch/didactisch en organisatorisch proactief en kritisch onderbouwd inrichten, werkend vanuit leer- en ontwikkelingsdoelen afgestemd op de specifieke ondersteuningsbehoeften van leerlingen;
    • je communicatie naar leerlingen bewust en effectief inzetten in je praktijkcontext en de ontwikkeling van zelfsturing stimuleren en begeleiden.